Over een krachtdadige Deense koning en een gevluchte Nederlandse koningin.

Toen het Duitse leger op 9 april 1940 Denemarken binnenviel bleven de Deense koning Christiaan en zijn regering in het land.
Als symbool voor de Deense zaak maakte de koning iedere ochtend een rit te paard door Kopenhagen, waarbij hij niet begeleid werd door lakeien en bewakers.

DenemarkPaard

Doordat koning Christiaan op zijn post was gebleven, oefenden de Duitsers ook geen volledige controle uit op Denemarken en behield de regering een zekere zelfstandigheid in binnenlandse aangelegenheden. Ook bleef de politie onder Deense controle staan en mede door toedoen van koning Christiaan hoefden de Deense joden geen gele ster te dragen en hebben ze bijna allemaal de oorlog overleefd.

Dit staat dus in schril contrast met de al op de derde oorlogsdag smadelijk gevluchte koningin Wilhelmina (13 mei 1940).

VluchtWilhel

Door de (volgens artikel 21 van de Grondwet) ongrondwettige vlucht naar Engeland kreeg Nederland naast een militaire bezetting ook te maken met een Duits burgerlijk bestuur onder Rijkscommissaris Seyss-Inquart, dat extra noodlottig is geworden voor het joodse deel van de Nederlandse bevolking. Door de vlucht van koningin Wilhelmina en de Nederlandse regering mochten de Duitsers dus alle maatregelen nemen die ze maar wensten. Men zou dus gerust kunnen stellen dat Nederland met het aantreden van Seyss-Inquart als Rijkscommissaris ook geen bezet land meer was, maar een vazalstaat van Duitsland. Vandaar dat Nederland – in tegenstelling tot Denemarken – ook regelmatig (totaal circa 600 keer) door de geallieerden werd gebombardeerd.

Blom

Zie ook mijn artikel: De “plotselinge” vlucht van koningin Wilhelmina en haar regering in mei 1940 was al vanaf november 1939 voorbereid.

Tot slot nog wat over de Deense joden.

Toen de Duitsers in de herfst van 1943 tot het deporteren van Deense joden hadden besloten, werd hiertegen door koning Christiaan fel geprotesteerd. In een brief d.d. 1 oktober 1943 schreef hij: “Ik waarschuw u voor de zeer ernstige gevolgen van speciale maatregelen tegen een groep mensen die al zolang burgerrechten in Denemarken genieten”. Mede door toedoen van de koning hebben de Duitsers slechts 472 van de 7700 Deense joden kunnen wegvoeren. En door Christiaans uiterste inspanning zijn de 472 daarna niet naar Auschwitz gestuurd, maar naar Theresienstadt. Op een zestigtal na, die aan natuurlijke oorzaken zijn gestorven, zijn ze na de oorlog allemaal in Denemarken teruggekeerd (bron: De Deense opperrabbijn Melchior d.d. 12 mei 1961.)

Wat Nederland betreft, zie: Deportaties naar Westerbork moesten doorgaan van de Nederlandse ballingenregering.

Gerard

Advertenties

Prins Bernhard op 4 mei 1955: “Herdenken mag geen ziekelijk stilstaan bij het verleden zijn”.

Tien jaar na de oorlog, tijdens dodenherdenking op 4 mei 1955, gaf prins Bernhard een onthutsende redevoering in de Haagse Ridderzaal. De Prins riep op “ervoor te waken, dat dit gedenken niet ontaardt in het periodiek doen herleven van gevoelens van wrok en vijandschap jegens hen die de aanleiding waren tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog”.
De Nederlandse bevolking mocht dus de Duitse Nazi’s niet meer haten. Over bevrijdingsdag zei de Prins: “De 5e mei mag ons niet leiden tot een ziekelijk stil blijven staan bij het verleden”.

01

02

04

Daar ging het dus om. De herinnering aan het verleden, de herinnering aan de terreur van zijn landgenoten moest worden uitgewist.
En geheel in overeenstemming daarmee kondigde Bernhard dan ook aan, dat de herdenking van bevrijding en verzet in de Ridderzaal de laatste was die in deze vorm zou plaatsvinden.

03

Gerard

De leugen van Wilhelmina.

Vlak voor de naderende nederlaag in de Eerste Wereldoorlog heeft de Duitse keizer Wilhelm II besloten asiel te zoeken in het ‘neutrale’ Nederland. Officieel heette het dat koningin Wilhelmina (die verwant was aan de Duitse Keizer) niets afwist van zijn komst. In haar autobiografie ‘Eenzaam maar niet alleen’ schrijft zij dat ze pas op de hoogte werd gesteld toen Wilhelm al in Nederland was en niet begreep waarom de Duitse Keizer was gevlucht.

W0

Ook volgens Wilhelmina-biograaf Cees Fasseur reageerde Wilhelmina ongelovig op de vlucht van de Keizer, “laat staan dat zij ervan geweten zou hebben”. In zijn boek ‘Wilhelmina, de jonge koningin’ schrijft Fasseur dat de koningin geschokt was over de handelwijze van Wilhelm, en als volgt reageerde: “een vorst in tijden van nood behoort zijn land niet te ontvluchten, maar zo nodig strijdend ten onder te gaan” (dat was Hare Majesteit blijkbaar in mei 1940 alweer vergeten…..GdB).

Maar blijkens het onderstaande document uit het Franse archief d.d. 10 oktober 1918 was Wilhelmina al minstens een maand voor het einde van de Eerste Wereldoorlog van de komst van de Keizer op de hoogte. De Franse attaché in Den Haag meldt namelijk in het document dat het Nederlandse hof de burgemeester van Oldenzaal onder geheimhouding heeft opgedragen om 40 koffers van het Duitse keizerlijke hof door te sturen naar het kasteel van graaf Bentinck bij Arnhem.

W1

Daarna bracht Wilhelmina’s adjudant-generaal J.B. van Heutsz op 5 november 1918 ook nog eens een vierdaags bezoek aan Wilhelm op het keizerlijke hoofdkwartier in het door de Duitsers bezette Belgische Spa. Vanwege de Nederlandse ‘neutraliteit’ werd het bezoek pas twee dagen na het einde van de Eerste Wereldoorlog in de kranten bekend gemaakt, waarbij er nadrukkelijk op gewezen werd dat het bezoek niet bedoeld was geweest om de komst van de Keizer voor te bereiden…………

W2

Maar een dag nadat Van Heutsz op zaterdag 9 november was teruggekeerd, kwam ook keizer Wilhelm naar Nederland. Op 10 november 1918 werd hij hartelijk ontvangen door graaf Bentinck op het kasteel Amerongen, waar Wilhelm anderhalf jaar zou blijven. Dit tot groot ongenoegen van Engeland en Frankrijk, die hem als oorlogsmisdadiger wilden berechten. Wilhelm werd namelijk verantwoordelijk geacht voor schending van de Belgische neutraliteit, massadeportaties, systematische verwoesting van landstreken en onbeperkte duikbootoorlog. Op grond hiervan ontving de Nederlandse regering diverse uitleveringsverzoeken, maar dit werd onder druk van Wilhelmina steeds geweigerd.

W3

W4

Na het bovenstaande Koninklijk Besluit, waarbij vaststond dat Wilhelm niet uitgeleverd zou worden, verhuisde hij op 12 mei 1920 naar Huize Doorn te Doorn om daar de komende 21 jaar riant verder te leven.

W5

W6

Op 4 juni 1941 overleed Wilhelm op 82-jarige leeftijd in Doorn aan longembolie. De reusachtige krans die Hitler had bezorgd werd tijdens de bijzetting door Duitse soldaten van de bezettingsmacht aan het hoofd van de stoet meegedragen.

W7

Saillant detail is dat tijdens de Eerste Wereldoorlog een Duits cavalerie-regiment Wilhelmina’s naam droeg: “15e Husarenregiment Königin Wilhelmina der Niederlande”. Dit regiment viel in november 1914 het neutrale België binnen en heeft de rest van de oorlog aan het Oostfront gestreden.

W8a

W8b

W8c

Gerard

Prins Bernhard, Pieter Menten en de verdwenen brief.

Nadat de Nederlandse SS’er en oorlogsmisdadiger Pieter Nicolaas Menten op 16 mei 1945 in Bloemendaal door de Binnenlandse Strijdkrachten was gearresteerd, en opgesloten in het Haarlemse huis van bewaring, heeft prins Bernhard een schriftelijk verzoek ingediend om hem vrij te laten. De brief was gericht aan kapitein mr. L. Erades, de Militair Commissaris voor Inbewaringstelling en Vrijlating in het District Haarlem.
Dit blijkt uit de verklaring van mevrouw C. Koning-Stroink (die daar in de jaren 1945-1946 chef de bureau was) tegenover de Commissie-Schöffer die in de jaren 1977-1978 onderzoek deed naar de oorlogsmisdaden van Menten in Polen.
Volgens mevrouw Koning was ze enorm geschrokken toen Bernhards brief binnenkwam: “Ik holde er ontzet mee naar mr. Erades en hij vertrouwde mij toe om zelf aan de Prins te schrijven, dat als de zaak van de heer P.N. Menten in behandeling was genomen wel zou worden meegedeeld of hij al dan niet in vrijheid zou worden gesteld”.
In ieder geval kwam Menten op 13 oktober 1945 alweer vrij. Maar toen mevrouw Koning in januari 1946 het dossier-Menten weer in handen kreeg, bleek dat zowel de prinselijke pleitbrief als de kopie van haar antwoord uit het dossier verdwenen te zijn.

Menten1

Menten2

Menten3

Menten4

Gerard

“Naziwetten” die na de oorlog in Nederland gehandhaafd bleven.

Tijdens de Duitse bezetting kreeg de Nederlandse bevolking te maken met en aantal Nationaal-Socialistische verordeningen, besluiten en wetten. Zo werd al een maand na de bezetting op 11 juni 1940 het Ontslagrecht ingevoerd, waardoor werkgevers niet zonder meer hun personeel konden ontslaan.

01

Daarna volgde op 1 januari 1941 het Besluit Loonbelasting, dat de werkgevers verplichtte tot de inhouding van een loonheffing.
Op dezelfde dag werd – tot grote vreugde van de Nederlandse bevolking – de Kinderbijslagwet van kracht.

02

En op 1 november 1941 werd het Ziekenfondsbesluit ingevoerd, waardoor 63% van de Nederlanders ‘fondspatiënt’ werd.

03

Gevolgd door vennootschapsbelasting op 30 april 1942.

Al deze “Naziwetten” bleven na de oorlog gehandhaafd.

Tot slot kan nog gemeld worden dat op 5 augustus 1940 ook de verordening tegen het onverdoofd slachten in werking trad: “Voorschriften ter vermijding van het kwellen van dieren bij het slachten van vee”.

04

Ondanks felle protesten van de Dierenbescherming mocht er na de oorlog van de regering weer onverdoofd geslacht worden. Tot op de dag van vandaag is dit nog steeds een punt van discussie.

Gerard

Over onze “vrijheid” na de bevrijding.

Op 31 januari 1950 werd door de regering-Drees een wetsontwerp ingediend getiteld “Wetsontwerp tot uitvoering van artikel 196 der Grondwet”. De bedoeling van dit wetsontwerp was om de regering in vredestijd volmachten te geven tot opheffing van alle democratische rechten, zoals recht van staking, van vergadering, briefgeheim, persvrijheid, etc. Bovendien wilde Drees in geval van nood het recht hebben om personen zonder vorm van proces in “Schutzhaft” te nemen. Met andere woorden, hij wilde der Polizeistaat – of beter gezegd het fascistische regime – in ons land weer invoeren.
Ondanks massale protesten werd het wetsontwerp op donderdagmiddag 19 juni 1952 door de Eerste Kamer aangenomen en daarna in het Staatsblad gepubliceerd.

Polizei1

Polizei2

Polizei3

Het is overigens cynisch dat de “sociaal-democraat” Drees, die na 1945 de koloniale oorlog dirigeerde waarbij duizenden Indonesische mannen, vrouwen en kinderen om het leven kwamen  en in de jaren ’50 de democratische rechten om zeep hielp, in 2004 tot één van de ‘grootste Nederlanders’ werd gekozen en in januari 2006 door de luisteraars van het VPRO-radioprogramma OVT zelfs tot de beste Nederlandse premier van na de Tweede Wereldoorlog. Zie ook: “Erger dan Hitler in 1940”.

Gerard

De oorlogsverklaring van de Nederlandse ballingenregering werd door Japan terzijde gelegd.

Na de Japanse aanval op de Amerikaanse vlootbasis Pearl Harbor (7 december 1941) was Nederland het eerste land dat Japan de oorlog verklaarde. Dus nog eerder dan het aangevallen Amerika.
En dat terwijl Wilhelmina en haar ballingenregering – doordat ze met hun vlucht naar Engeland Artikel 21 van de Grondwet hadden geschonden – helemaal niet gerechtigd waren om andere landen de oorlog te verklaren. Klik hier voor meer bijzonderheden.

01a

01b

De oorlogsverklaring werd namens koningin Wilhelmina en haar ballingenregering op 8 december 1941 om 03:00 uur p.m. in Tokio overgebracht door de Nederlandse consul in Japan dhr. Jean Charles Pabst. Als reactie kreeg Pabst te horen dat de Japanse regering de Nederlandse oorlogsverklaring naast zich neer zou leggen, met de uitdrukkelijke mededeling dat alleen Amerika en Engeland (plus de Dominions) de vijanden waren.

02

03

Het korte antwoord van de Nederlandse regering was dat de oorlogsverklaring gehandhaafd bleef, om vrijwel direct daarna over te gaan tot de eerste oorlogshandelingen tegen Japan. Op 10 december 1941 werden ter versterking van de Britse troepen Nederlandse KNIL-eenheden en 9 Nederlandse Brewster 339D gevechtsvliegtuigen van de afdeling ML-KNIL naar Malakka gestuurd.

04

Inmiddels had ook de Nederlandse onderzeeboot Hr.Ms. O 16 onder commando van Luitenant ter zee A.J. Bussemaker (de grootvader van PVDA-politica Jet) pal na de Nederlandse oorlogsverklaring al 5 Japanse schepen beschadigd of tot zinken gebracht, namelijk de Ayatosan Maru (9788 ton), de Sakura Maru (7170 ton), de Tosan Maru (8666 ton), de Asosan Maru (8812 ton) en de Kinka Maru (9306 ton). Ondanks de Nederlandse oorlogshandelingen bleef een Japanse reactie nog steeds uit.

05

Pas op 19 december 1941 sloeg Japan voor het eerst terug met een bombardement op Pontianak (Borneo).

06

Terwijl de Nederlandse aanvallen al drie weken aan de gang waren, kwam Japan eind december 1941 met een laatste waarschuwing dat de vijandelijkheden direct moesten stoppen.

07

Toen daaraan geen gevolg werd gegeven landden in de nacht van 10 op 11 januari 1942 zesduizend Japanse militairen op Tarakan, een eiland ten noordoosten van Borneo.

08

09

Pas ruim twee maanden later (na de slag in Java Zee op 27 februari 1942) landden de Japanse troepen uiteindelijk op 1 maart 1942 op Java. Dat was dus bijna drie maanden na de Nederlandse oorlogsverklaring op 8 december 1941.

10

Na de Nederlandse overgave verklaarde de Japanse regering in Tokio “dat als de Nederlandse oorlogsverklaring was uitgebleven de Japanse strijdkrachten Nederlands-Indië niet zouden hebben aangevallen. Dat die oorlogsverklaring alléén zelfs nog geen aanleiding voor Japan zou zijn geweest om aan te vallen. Maar dat de agressieve handelingen van Nederland na 8 december 1941 de Japanse actie onvermijdelijk hadden gemaakt”.

Gerard