Over een krachtdadige Deense koning en een gevluchte Nederlandse koningin.

Toen het Duitse leger op 9 april 1940 Denemarken binnenviel bleven de Deense koning Christiaan en zijn regering in het land.
Als symbool voor de Deense zaak maakte de koning iedere ochtend een rit te paard door Kopenhagen, waarbij hij niet begeleid werd door lakeien en bewakers.

DenemarkPaard

Doordat koning Christiaan op zijn post was gebleven, oefenden de Duitsers ook geen volledige controle uit op Denemarken en behield de regering een zekere zelfstandigheid in binnenlandse aangelegenheden. Ook bleef de politie onder Deense controle staan en mede door toedoen van koning Christiaan hoefden de Deense joden geen gele ster te dragen en hebben ze bijna allemaal de oorlog overleefd.

Dit staat dus in schril contrast met de al op de derde oorlogsdag smadelijk gevluchte koningin Wilhelmina (13 mei 1940).

VluchtWilhel

Door de (volgens artikel 21 van de Grondwet) ongrondwettige vlucht naar Engeland kreeg Nederland naast een militaire bezetting ook te maken met een Duits burgerlijk bestuur onder Rijkscommissaris Seyss-Inquart, dat extra noodlottig is geworden voor het joodse deel van de Nederlandse bevolking. Door de vlucht van koningin Wilhelmina en de Nederlandse regering mochten de Duitsers dus alle maatregelen nemen die ze maar wensten. Men zou dus gerust kunnen stellen dat Nederland met het aantreden van Seyss-Inquart als Rijkscommissaris ook geen bezet land meer was, maar een vazalstaat van Duitsland. Vandaar dat Nederland – in tegenstelling tot Denemarken – ook regelmatig (totaal circa 600 keer) door de geallieerden werd gebombardeerd.

Blom

Zie ook mijn artikel: De “plotselinge” vlucht van koningin Wilhelmina en haar regering in mei 1940 was al vanaf november 1939 voorbereid.

Tot slot nog wat over de Deense joden.

Toen de Duitsers in de herfst van 1943 tot het deporteren van Deense joden hadden besloten, werd hiertegen door koning Christiaan fel geprotesteerd. In een brief d.d. 1 oktober 1943 schreef hij: “Ik waarschuw u voor de zeer ernstige gevolgen van speciale maatregelen tegen een groep mensen die al zolang burgerrechten in Denemarken genieten”. Mede door toedoen van de koning hebben de Duitsers slechts 472 van de 7700 Deense joden kunnen wegvoeren. En door Christiaans uiterste inspanning zijn de 472 daarna niet naar Auschwitz gestuurd, maar naar Theresienstadt. Op een zestigtal na, die aan natuurlijke oorzaken zijn gestorven, zijn ze na de oorlog allemaal in Denemarken teruggekeerd (bron: De Deense opperrabbijn Melchior d.d. 12 mei 1961.)

Wat Nederland betreft, zie: Deportaties naar Westerbork moesten doorgaan van de Nederlandse ballingenregering.

Gerard

Nabestaanden gekwetst door rede prins Bernhard op 4 mei 1955.

001

Tijdens de dodenherdenking op vrijdagmiddag 4 mei 1955 in de Haagse Ridderzaal verkondigde prins Bernhard in een toespraak dat herdenken geen ziekelijk stilstaan bij het verleden mocht zijn. “Wij moeten er voor waken dat dit gedenken niet ontaardt in het periodiek doen herleven van gevoelens van vijandschap en wrok jegens hen die aanleiding waren tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog”, aldus de Prins. Amper 10 jaar na het einde van de Duitse bezetting kwam deze uitspraak voor de duizenden nabestaanden die in de oorlog hun dierbaren hadden verloren keihard aan. En de voormalige verzetskrant ‘De Waarheid’ schreef nog dezelfde dag verontwaardigd: “Met andere woorden: ons volk moet naar de mening van de regering de Hitler-bende, die aanleiding was voor de laatste oorlog en de moordaanslag op ons land, niet langer haten.”

002

003

Saillant detail is dat prins Bernhard aan het slot van zijn herdenkingsrede enkele versregels citeerde van de Vlaamse priester-dichter Cyriel Verschaeve. Genoemde priester was tijdens de oorlog een zware collaborateur die vlak na de bevrijding op de vlucht sloeg en onderdook in Oostenrijk. In 1946 werd hij door het tribunaal in Brugge bij verstek ter dood veroordeeld.

004

005

Gerard

De leugen van Wilhelmina.

Vlak voor de naderende nederlaag in de Eerste Wereldoorlog heeft de Duitse keizer Wilhelm II besloten asiel te zoeken in het ‘neutrale’ Nederland. Officieel heette het dat koningin Wilhelmina (die verwant was aan de Duitse Keizer) niets afwist van zijn komst. In haar autobiografie ‘Eenzaam maar niet alleen’ schrijft zij dat ze pas op de hoogte werd gesteld toen Wilhelm al in Nederland was en niet begreep waarom de Duitse Keizer was gevlucht.

W0

Ook volgens Wilhelmina-biograaf Cees Fasseur reageerde Wilhelmina ongelovig op de vlucht van de Keizer, “laat staan dat zij ervan geweten zou hebben”. In zijn boek ‘Wilhelmina, de jonge koningin’ schrijft Fasseur dat de koningin geschokt was over de handelwijze van Wilhelm, en als volgt reageerde: “een vorst in tijden van nood behoort zijn land niet te ontvluchten, maar zo nodig strijdend ten onder te gaan” (dat was Hare Majesteit blijkbaar in mei 1940 alweer vergeten…..GdB).

Maar blijkens het onderstaande document uit het Franse archief d.d. 10 oktober 1918 was Wilhelmina al minstens een maand voor het einde van de Eerste Wereldoorlog van de komst van de Keizer op de hoogte. De Franse attaché in Den Haag meldt namelijk in het document dat het Nederlandse hof de burgemeester van Oldenzaal onder geheimhouding heeft opgedragen om 40 koffers van het Duitse keizerlijke hof door te sturen naar het kasteel van graaf Bentinck bij Arnhem.

W1

Daarna bracht Wilhelmina’s adjudant-generaal J.B. van Heutsz op 5 november 1918 ook nog eens een vierdaags bezoek aan Wilhelm op het keizerlijke hoofdkwartier in het door de Duitsers bezette Belgische Spa. Vanwege de Nederlandse ‘neutraliteit’ werd het bezoek pas twee dagen na het einde van de Eerste Wereldoorlog in de kranten bekend gemaakt, waarbij er nadrukkelijk op gewezen werd dat het bezoek niet bedoeld was geweest om de komst van de Keizer voor te bereiden…………

W2

Maar een dag nadat Van Heutsz op zaterdag 9 november was teruggekeerd, kwam ook keizer Wilhelm naar Nederland. Op 10 november 1918 werd hij hartelijk ontvangen door graaf Bentinck op het kasteel Amerongen, waar Wilhelm anderhalf jaar zou blijven. Dit tot groot ongenoegen van Engeland en Frankrijk, die hem als oorlogsmisdadiger wilden berechten. Wilhelm werd namelijk verantwoordelijk geacht voor schending van de Belgische neutraliteit, massadeportaties, systematische verwoesting van landstreken en onbeperkte duikbootoorlog. Op grond hiervan ontving de Nederlandse regering diverse uitleveringsverzoeken, maar dit werd onder druk van Wilhelmina steeds geweigerd.

W3

W4

Na het bovenstaande Koninklijk Besluit, waarbij vaststond dat Wilhelm niet uitgeleverd zou worden, verhuisde hij op 12 mei 1920 naar Huize Doorn te Doorn om daar de komende 21 jaar riant verder te leven.

W5

W6

Op 4 juni 1941 overleed Wilhelm op 82-jarige leeftijd in Doorn aan longembolie. De reusachtige krans die Hitler had bezorgd werd tijdens de bijzetting door Duitse soldaten van de bezettingsmacht aan het hoofd van de stoet meegedragen.

W7

Saillant detail is dat tijdens de Eerste Wereldoorlog een Duits cavalerie-regiment Wilhelmina’s naam droeg: “15e Husarenregiment Königin Wilhelmina der Niederlande”. Dit regiment viel in november 1914 het neutrale België binnen en heeft de rest van de oorlog aan het Oostfront gestreden.

W8a

W8b

W8c

Gerard

Prins Bernhard, Pieter Menten en de verdwenen brief.

Nadat de Nederlandse SS’er en oorlogsmisdadiger Pieter Nicolaas Menten op 16 mei 1945 in Bloemendaal door de Binnenlandse Strijdkrachten was gearresteerd, en opgesloten in het Haarlemse huis van bewaring, heeft prins Bernhard een schriftelijk verzoek ingediend om hem vrij te laten. De brief was gericht aan kapitein mr. L. Erades, de Militair Commissaris voor Inbewaringstelling en Vrijlating in het District Haarlem.
Dit blijkt uit de verklaring van mevrouw C. Koning-Stroink (die daar in de jaren 1945-1946 chef de bureau was) tegenover de Commissie-Schöffer die in de jaren 1977-1978 onderzoek deed naar de oorlogsmisdaden van Menten in Polen.
Volgens mevrouw Koning was ze enorm geschrokken toen Bernhards brief binnenkwam: “Ik holde er ontzet mee naar mr. Erades en hij vertrouwde mij toe om zelf aan de Prins te schrijven, dat als de zaak van de heer P.N. Menten in behandeling was genomen wel zou worden meegedeeld of hij al dan niet in vrijheid zou worden gesteld” (interview met mevrouw C. Koning-Stroink).
In ieder geval kwam Menten op 13 oktober 1945 alweer vrij. Maar toen mevrouw Koning in januari 1946 het dossier-Menten weer in handen kreeg, bleek dat zowel de prinselijke pleitbrief als de kopie van haar antwoord uit het dossier verdwenen te zijn.

Menten1

Menten2

Menten3

Menten4

Gerard

“Naziwetten” die na de oorlog in Nederland gehandhaafd bleven.

Tijdens de Duitse bezetting kreeg de Nederlandse bevolking te maken met en aantal Nationaal-Socialistische verordeningen, besluiten en wetten. Zo werd al een maand na de bezetting op 11 juni 1940 het Ontslagrecht ingevoerd, waardoor werkgevers niet zonder meer hun personeel konden ontslaan.

01

Daarna volgde op 1 januari 1941 het Besluit Loonbelasting, dat de werkgevers verplichtte tot de inhouding van een loonheffing.
Op dezelfde dag werd – tot grote vreugde van de Nederlandse bevolking – de Kinderbijslagwet van kracht.

02

En op 1 november 1941 werd het Ziekenfondsbesluit ingevoerd, waardoor 63% van de Nederlanders ‘fondspatiënt’ werd.

03

Gevolgd door vennootschapsbelasting op 30 april 1942.

Al deze “Naziwetten” bleven na de oorlog gehandhaafd.

Tot slot kan nog gemeld worden dat op 5 augustus 1940 ook de verordening tegen het onverdoofd slachten in werking trad: “Voorschriften ter vermijding van het kwellen van dieren bij het slachten van vee”.

04

Ondanks felle protesten van de Dierenbescherming mocht er na de oorlog van de regering weer onverdoofd geslacht worden. Tot op de dag van vandaag is dit nog steeds een punt van discussie.

Gerard

Over onze “vrijheid” na de bevrijding.

Op 31 januari 1950 werd door de regering-Drees een wetsontwerp ingediend getiteld “Wetsontwerp tot uitvoering van artikel 196 der Grondwet”. De bedoeling van dit wetsontwerp was om de regering in vredestijd volmachten te geven tot opheffing van alle democratische rechten, zoals recht van staking, van vergadering, briefgeheim, persvrijheid, etc. Bovendien wilde Drees in geval van nood het recht hebben om personen zonder vorm van proces in “Schutzhaft” te nemen. Met andere woorden, hij wilde der Polizeistaat – of beter gezegd het fascistische regime – in ons land weer invoeren.
Ondanks massale protesten werd het wetsontwerp op donderdagmiddag 19 juni 1952 door de Eerste Kamer aangenomen en daarna in het Staatsblad gepubliceerd.

(Klikken om te vergroten.)

Polizei1

Polizei2

Polizei3

Het is overigens cynisch dat de “sociaal-democraat” Drees, die na 1945 de koloniale oorlog dirigeerde waarbij duizenden Indonesische mannen, vrouwen en kinderen om het leven kwamen  en in de jaren ’50 de democratische rechten om zeep hielp, in 2004 tot één van de ‘grootste Nederlanders’ werd gekozen en in januari 2006 door de luisteraars van het VPRO-radioprogramma OVT zelfs tot de beste Nederlandse premier van na de Tweede Wereldoorlog. Zie ook: “Erger dan Hitler in 1940”.

Gerard

De oorlogsverklaring van de Nederlandse ballingenregering werd door Japan terzijde gelegd.

Na de Japanse aanval op de Amerikaanse vlootbasis Pearl Harbor (7 december 1941) was Nederland het eerste land dat Japan de oorlog verklaarde. Dus nog eerder dan het aangevallen Amerika.
En dat terwijl Wilhelmina en haar ballingenregering – doordat ze met hun vlucht naar Engeland Artikel 21 van de Grondwet hadden geschonden – helemaal niet gerechtigd waren om andere landen de oorlog te verklaren. Klik hier voor meer bijzonderheden.

01a

01b

De oorlogsverklaring werd namens koningin Wilhelmina en haar ballingenregering op 8 december 1941 om 03:00 uur p.m. in Tokio overgebracht door de Nederlandse consul in Japan dhr. Jean Charles Pabst. Als reactie kreeg Pabst te horen dat de Japanse regering de Nederlandse oorlogsverklaring naast zich neer zou leggen, met de uitdrukkelijke mededeling dat alleen Amerika en Engeland (plus de Dominions) de vijanden waren.

02

03

Het korte antwoord van de Nederlandse regering was dat de oorlogsverklaring gehandhaafd bleef, om vrijwel direct daarna over te gaan tot de eerste oorlogshandelingen tegen Japan. Op 10 december 1941 werden ter versterking van de Britse troepen Nederlandse KNIL-eenheden en 9 Nederlandse Brewster 339D gevechtsvliegtuigen van de afdeling ML-KNIL naar Malakka gestuurd.

04

Inmiddels had ook de Nederlandse onderzeeboot Hr.Ms. O 16 onder commando van Luitenant ter zee A.J. Bussemaker (de grootvader van PVDA-politica Jet) pal na de Nederlandse oorlogsverklaring al 5 Japanse schepen beschadigd of tot zinken gebracht, namelijk de Ayatosan Maru (9788 ton), de Sakura Maru (7170 ton), de Tosan Maru (8666 ton), de Asosan Maru (8812 ton) en de Kinka Maru (9306 ton). Ondanks de Nederlandse oorlogshandelingen bleef een Japanse reactie nog steeds uit.

05

Pas op 19 december 1941 sloeg Japan voor het eerst terug met een bombardement op Pontianak (Borneo).

06

Terwijl de Nederlandse aanvallen al drie weken aan de gang waren, kwam Japan eind december 1941 met een laatste waarschuwing dat de vijandelijkheden direct moesten stoppen.

07

Toen daaraan geen gevolg werd gegeven landden in de nacht van 10 op 11 januari 1942 zesduizend Japanse militairen op Tarakan, een eiland ten noordoosten van Borneo.

08

09

Pas ruim twee maanden later (na de slag in Java Zee op 27 februari 1942) landden de Japanse troepen uiteindelijk op 1 maart 1942 op Java. Dat was dus bijna drie maanden na de Nederlandse oorlogsverklaring op 8 december 1941.

10

Na de Nederlandse overgave verklaarde de Japanse regering in Tokio “dat als de Nederlandse oorlogsverklaring was uitgebleven de Japanse strijdkrachten Nederlands-Indië niet zouden hebben aangevallen. Dat die oorlogsverklaring alléén zelfs nog geen aanleiding voor Japan zou zijn geweest om aan te vallen. Maar dat de agressieve handelingen van Nederland na 8 december 1941 de Japanse actie onvermijdelijk hadden gemaakt”.

Opmerking:

Saillant detail is dat na de Duitse bezetting in mei 1940 er – in opdracht van de Nederlandse ballingenregering in Londen – vanuit Nederlands-Indië nog steeds handel werd gedreven met Duitslands bondgenoot Japan. Pas in augustus 1941 werden er onder druk van Amerika geen exportvergunningen meer afgegeven en pas in oktober 1941 werd al het handelsverkeer tussen Nederlands-Indië en Japan stopgezet.

JapanHandel1941

Gerard

Jonkvrouw Dolly Dibbets: verraadster, spionne en maîtresse van Seyss-Inquart

De op 16 januari 1898 in Tandjong Poera (Nederlands-Indië) geboren Jonkvrouw Dora (‘Dolly’) Dibbets was de echtgenote van mr. Wibo Godfried Peekema, de regeringsgemachtigde voor Algemene Zaken in Nederlands-Indië. Het echtpaar woonde voor de oorlog op de Grisseeweg 15 te Batavia en volgens mensen die ‘mooie Dolly’ in Indië hebben gekend was zij een bekende figuur in het Batavia van de jaren ’30 en trok zij door haar buitensporigheden en excentriciteiten sterk de aandacht.

DollyPaard

Op 18 januari 1939 gingen Wibo Godfried en Dolly met het passagiersschip ‘Christiaan Huygens’ naar Nederland, waar Wibo in Den Haag hoofd van de juridische afdeling werd op het Ministerie van Koloniën.
Nadat de Duitsers ons land waren binnengevallen en Wilhelmina en haar regering op 13 mei 1940 op de vlucht waren geslagen, ging Wibo Godfried hen de volgende dag achterna. Echter zonder zijn Dolly.
Maar zij was beslist niet van plan om op hem te wachten tot de oorlog voorbij was, want al vrij spoedig was Dolly de maîtresse van de Duitse Rijkscommissaris Seyss-Inquart en had zij ook nog eens een nauwe relatie met de foute Haagse hoofdcommissaris van politie Hamer, die op zijn beurt weer samenwerkte met de Duitse Abwehr. Omstreeks die tijd ging Dolly ook spioneren voor SS-Sturmbannführer Joseph Schreieder van het Referat IV E van de Gestapo in Den Haag. Eén van de belangrijkste figuren van het Englandspiel. Voor hem was Dolly een waardevolle aanwinst, mede ook vanwege de brieven die ze via Portugal van haar man uit Londen toegestuurd kreeg. Die werden namelijk ongecensureerd met de diplomatieke post verstuurd en daarin stonden zaken over de Londense ballingenregering waar Schreieder veel belang in stelde. En door Dolly’s verraad kon de Gestapo in de herfst van 1941 ook nog eens een Haagse verzetsgroep oprollen, waarvan een aantal verzetsstrijders in Duitse gevangenschap de dood vonden.

DollyVerzet

Ook maakte Dolly een aantal ‘spionagereizen’ naar België en Spanje.  Zo kreeg zij in 1942  van de Abwehrstelle-Brussel opdracht naar Madrid te gaan om daar amoureuze relaties aan te knopen met de daar aanwezige Amerikaanse officieren om aldus iets te weten te komen over de Geallieerde offensieve plannen.

Nadat Wibo Godfried na de oorlog vernam wat zijn vrouw allemaal had uitgespookt, diende hij een eis tot echtscheiding in. Dat blijkt namelijk uit een notitie van de secretaris-generaal van Justitie Van Angeren. Op 29 juni 1945 schreef hij: “Mr. Peekema heeft een eis tot echtscheiding tegen zijn echtgenote ingediend, die onder verdenking staat van hulp aan de vijand en door de politie wordt gezocht”. Want Dolly was via de ‘Rattenlijn’ gevlucht . Ruim twee weken later werd ze op 14 juli 1945 in een hotel in Milaan gearresteerd. Pas op 7 augustus 1948 stond zij terecht en werd er 15 jaar gevangenisstraf tegen haar geëist, maar dat werd op 17 augustus teruggebracht naar 8 jaar (minus de 3 jaar voorarrest) en verlies van kiesrechten voor het leven.

Dolly15jaar

Dolly8jr

Als men bedenkt dat de journalist en NSB-propagandist Max Blokzijl (61) die nooit iemand heeft verraden, maar alleen vanwege zijn pro-Duitse praatjes voor Radio Hilversum de doodstraf heeft gekregen en op 16 maart 1946 werd geëxecuteerd, en dat in hetzelfde jaar dat Dolly maar 8 jaar kreeg een andere verraadster ook voor het vuurpeloton stond, dan is de straf van Dolly wel behoorlijk laag uitgevallen.

D1

Het lijkt er dus verdacht veel op dat Dolly’s adelijke titel, en het feit dat topambtenaar Wibo Godfried in Londen tot de directe omgeving van koning Wilhelmina had behoord, hierbij een rol hebben gespeeld.

Tot slot kan nog gemeld worden dat Dolly vervroegd uit de gevangenis is ontslagen en na haar vrijlating bij haar dochter in Rijnsburg is ingetrokken. Dolly is op 19 maart 1953 op 55-jarige leeftijd overleden.

DollyDood

Gerard

Van collaborateur tot minister-president.

Terwijl de puinhopen van het door de Duitsers gebombardeerde Rotterdam nog nasmeulden werd Jan de Quay benoemd tot tijdelijk regeringscommissaris voor de organisatie van de Arbeid op het Departement van Sociale Zaken. Hiermee was hij een van de naaste medewerkers van Seyss-Inquart, de Rijkscommissaris voor de bezette Nederlandse gebieden.

01

Al een maand na zijn benoeming riep De Quay werkloze mannen op om in Duitsland te gaan werken. In een vraaggesprek voor de radio op 25 juni 1940 noemde hij het werken in Duitsland “een Nederlands belang”.

02

Nadat was gebleken dat er weinig animo bestond om in de Duitse oorlogsindustrie te gaan werken, gaf De Quay in augustus 1940 het waarnemend hoofd van zijn Departement opdracht om alle gemeentebesturen onder de aandacht te brengen dat werklozen geen uitkering meer kregen als ze weigerden naar Duitsland te gaan.

03

Naast zijn functie op het Departement voor Sociale Zaken (waar De Quay nog tot eind september 1940 zou blijven) vormde hij, samen met Einthoven en Linthorst Homan, en in overleg met Rijkscommissaris Seyss-Inquart, op 24 juli 1940 de Nederlandse Unie.
In het weekblad De Unie maakte De Quay daarna propaganda voor het Nationaal-Socialisme en voor de Winterhulp van de NSB. Voorts werd de Nederlandse bevolking opgeroepen loyaal te zijn met de Duitse bezetter.

Hieronder een schrijven d.d. 12 december 1940 en ondertekend door De Quay, Einthoven en Linthorst Homan (het ‘Driemanschap’) aan de leiders van de Gewestelijke, Stedelijke en plaatselijke secretariaten van de Nederlandse Unie over de gedragslijn van de Unie, waarin een “loyale houding tegenover de bezettende Duitse overheid” voorop werd gesteld en dat niet gedoogd zou worden dat Unie-leden zich aansloten bij “zogenaamde geheime organisaties” (het verzet). Voor Unie-leden die zich hier niets van aantrokken was geen plaats. De leiding van de Unie schroomde daarom ook niet om deze lieden met “alle haar ten dienste staande middelen uit haar rijen te verwijderen”.

04

Op 18 januari 1941 werden de leden van de Nederlandse Unie in het Unie-blad nogmaals ernstig gewaarschuwd om geen lid te worden van verzetsgroepen “waarmede het volksbelang niet is gebaat”.

04b

De Quay keerde zich van het begin af fel tegen de parlementaire democratie. In het nieuwe Europa onder Duitse leiding zou Nederland als een herboren natie een plaats moeten vinden. Dat liet  hij dan ook op 16 november 1940 duidelijk blijken in zijn weekblad.

05

Duitslands eindoverwinning stond voor De Quay vast. Na Hitlers inval in Rusland op 22 juni 1941 schreef De Quay een paar weken later in zijn Unie-blad: “Het Duitse Rijk volgt in het Oosten zijn aloude vastelandsbestemming en wij twijfelen niet, dat het ginds een grote taak te verrichten zal hebben”.

06

Na een ideologisch conflict met Seyss-Inquart werd de Nederlandse Unie in december 1941 verboden en De Quay van juli 1942 tot juni 1943 gevangen gezet in een internaat in Sint-Michielsgestel, waar ook andere ‘dwarsliggende’ prominenten zaten. Hier werden de dagen gevuld met cursussen, lezingen en discussiegroepjes over de meest uiteenlopende onderwerpen. In Sint-Michielsgestel maakte De Quay deel uit van de ‘Heren 17’ die over de politieke toekomst van Nederland spraken. Volgens de ex-gevangene Leonard de Waal was het daar “een soort gedwongen Rotary”.

Na de bevrijding van het zuiden van Nederland werd De Quay in oktober 1944 alweer voorzitter van het College van Algemene Commissarissen voor Landbouw, Nijverheid en Handel en van 5 april tot 23 juni 1945 minister van Oorlog in het Kabinet-Gerbrandy (minister- president Drees wilde De Quay daarna echter niet in zijn kabinet hebben vanwege diens oorlogsverleden).

In ieder geval vormde De Quay’s verregaande collaboratie voor koningin Wilhelmina geen beletsel om hem op 1 november 1946 te benoemen tot Commissaris van de Koningin in de provincie Noord-Brabant, dat hij tot 1959 zou blijven.

07

08

Van 19 mei 1959 tot 24 juli 1963 was De Quay minister-president en minister van Algemene Zaken in het kabinet dat zijn naam droeg.

09

10

11

Jan Wolkers zou later in zijn boek ‘Zwarte Bevrijding’ schrijven: “Wie tijdens de bezetting voorspeld had dat een lid van het driemanschap, dat de Nederlandse Unie had opgericht, na de oorlog doodleuk minister-president zou worden, zou, en terecht, door het gezamenlijke verzet gefusilleerd zijn wegens ondermijnend defaitisme”.

Gerard

Over de ongrondwettige herinvoering van de doodstraf door koningin Wilhelmina.

Op 22 december 1943 tekende de in mei 1940 gevluchte koningin Wilhelmina in Londen het Koninklijk Besluit Bijzonder Strafrecht, waarin een aantal in het Wetboek van Strafrecht gestelde strafmaxima werden verhoogd, waaronder ook de herinvoering van de in 1870 afgeschafte doodstraf. Dit besluit werd een jaar later, op zondag 24 september 1944, door de toenmalige minister van Justitie Van Heuven Goedhart via Radio Oranje aan het Nederlandse volk bekendgemaakt.  Aldus werden na de oorlog in eerste instantie 190 mannen en vrouwen tot de doodstraf veroordeeld, waarvan daadwerkelijk 39 mannen en 1 vrouw, de 42-jarige Ans van Dijk, door een vuurpeloton zijn terechtgesteld.

D1

De eerste die op 16 maart 1946 voor het vuurpeloton stond was de journalist Max Blokzijl (61) die tijdens de Duitse bezetting voor Radio Hilversum pro-Duitse praatjes had gehouden.

D2

De laatste voltrokken doodvonnissen betroffen de in Nederlands-Indië geboren SS’er Andries Jan Pieters (35) en de Duitse SD-commandant in Friesland Wilhelm Artur Albrecht (48). Zij zijn op 21 maart 1952 op de Waalsdorpervlakte gefusilleerd.

D3

Los van het feit of  collaborateurs en oorlogsmisdadigers destijds al dan niet  geëxecuteerd moesten worden, was het herinvoeren van de doodstraf in 1943 geheel ongrondwettelijk aangezien de Nederlandse Grondwet indertijd bepaalde dat volgens Artikel 21 de Nederlandse regering zich nimmer buiten het Rijk mocht vestigen en dus ook geen wetten en Koninklijke Besluiten kon uitvaardigen. Laat staan de herinvoering van de doodstraf.

D4

Een en ander zou natuurlijk anders zijn geweest als koningin Wilhelmina en haar regering zich na de Duitse inval in een van de voormalige koloniën hadden gevestigd. Deze landen lagen namelijk wel binnen het Rijk, of dat Wilhelmina met het tekenen van het desbetreffende Koninklijk Besluit gewacht had tot zij en haar regering na de bevrijding in mei 1945 weer op Nederlandse bodem waren teruggekeerd.

Drie maanden voor de eerste executie van Max Blokzijl had overigens ook de hoofdredacteur van de Leeuwarder Koerier zich in december 1945  afgevraagd of het Koninklijk Besluit van 1943 wel toegepast zou kunnen worden omdat het niet op de door de Grondwet voorgeschreven wijze, en zonder overleg met de Staten Generaal, tot stand was gekomen.

D5

Klik hier voor meer bijzonderheden over de ongrondwettige vlucht in mei 1940 en Artikel 21 van de Grondwet.

Gerard