De heksenjacht van ‘vadertje’ Drees.

Vier jaar na de bevrijding blies de toenmalige minister-president Willem Drees (PVDA) in 1949 de ‘Gestapo’ nieuw leven in. Iedereen die ‘linkser’ was dan de PVDA werd als staatsgevaarlijk beschouwd. Ook alle leden van de CPN en abonnees van De Waarheid werden in kaart gebracht. Bekend is het geval van een krantenbezorger die even zijn fiets in de steek had gelaten en de bezorglijst door een geheim agent uit zijn tas was gelicht. De lijst is later, na gekopieerd te zijn, als ‘gevonden voorwerp’ bij de politie afgeleverd.
De Nederlandse ‘Gestapo’ had ook een zwarte lijst aangelegd waarop de namen van circa 8000 communistische mannen en vrouwen vermeld stonden die ‘bij acuut dreigend oorlogsgevaar’ moesten worden opgepakt en geïnterneerd. Hieronder waren zelfs nogal wat  verzetsstrijders die tijdens de oorlog met inzet van hun leven de Nazi’s hadden bestreden.
Maar niet alleen communisten werden in de gaten gehouden; ook iedereen met enigszins afwijkende ideeën kwam in een aparte administratie terecht. Hieronder waren bezoekers van manifestaties tegen de regering, dienstweigeraars, vrijdenkers en zelfs Jehova’s Getuigen. Ook zij werden door ‘vadertje’ Drees als ‘potentieel staatsgevaarlijk’ beschouwd.

EVC1

EVC2

En 17 december 1951 vaardigde Drees een verbod uit dat ambtenaren geen lid meer mochten zijn van de CPN en de aan de partij gelieerde, en uit het verzet voortgekomen, vakbond EVC met 160.000 leden. Dit ondanks dat de CPN een legale partij was die op dat moment met 8 zetels in de Tweede Kamer zat. De maatregel van Drees was tevens in flagrante strijd was met Artikel 5 en 9 van de Grondwet en het bij internationale overeenkomsten erkende recht op vrijheid van aansluiting bij een vakvereniging.
In een felle brief aan Drees d.d. 18 december 1951 schreef het EVC-Verbondsbestuur dan ook dat ze zijn verbodsmaatregel zagen als  ‘een verder gaan op de weg naar het fascisme’ en een ‘uiting van de geest van Hitler en Seyss-Inquart’. Men eiste dan ook dat Drees zijn besluit onmiddellijk ongedaan zou maken.

EVC3

Het mocht niet baten. Op bevel van Drees werd een ware heksenjacht geopend op ‘verdachte’ ambtenaren, inclusief een systeem van verklikkers, het afluisteren van telefoongesprekken, etc..
Postbestellers, vuilnisophalers, politieagenten, medewerkers van het openbaar vervoer en nutsbedrijven, leraren, stratenmakers van Publieke Werken, etc. die desondanks toch nog lid waren gebleven van de CPN en/of EVC raakten brodeloos. En mocht men tegen het ontslag in beroep willen gaan dan was hij of zij niet vrij in de keuze van een advocaat. Die werd door de Nederlandse Staat aangewezen, waardoor de uitslag bij voorbaat al vaststond.
De CPN-fractievoorzitter Gerben Wagenaar noemde tijdens een interpellatie op 5 februari 1952 in de Tweede Kamer het ambtenarenverbod van Drees dan ook ‘een fascistische maatregel van het zuiverste water’ en dat hiermee de heksenjacht naar Amerikaans model geïntroduceerd werd. “Men moet al volkomen verblind achter  Amerika aanmarcheren, arm in arm met Christiansen en Guderian en met sir Oswald Mosley, om zich niet het weinig verheffende beeld te herinneren van de voorgangers der huidige fascisten, die met soortgelijke maatregelen de rechtszekerheid in hun landen ondermijnden en de bevolking overleverden aan Gestapo en Sicherheitsdienst”, brieste Wagenaar tegen Drees.

EVC4

Pas op 15 augustus 1970 werd het ambtenarenverbod opgeheven.
Tot slot kan nog gemeld worden dat de CPN in 1989 is opgegaan in GroenLinks. Reden voor nogal wat CPN’ers om op de dag dat dit werd besloten de rode vlag halfstok te hangen en over te stappen naar de SP.

Zie ook mijn artikel: Over onze “vrijheid” na de bevrijding.

Gerard

Advertenties

Volgens ex-officier van de Britse geheime dienst was ook koningin Wilhelmina betrokken bij de ondergang van de K-XVII.

Op vrijdag 21 maart 1980 werd de Nederland televisiekijker, en met name de nabestaanden, opgeschrikt door het verhaal van sir Christopher Creighton, een ex-officier van de Britse geheime dienst (sectie M), die volgens eigen zeggen in 1941 de Nederlandse onderzeeër K-XVII persoonlijk had opgeblazen op gezamenlijk bevel van Churchill en Roosevelt en met noodzakelijke, moeizaam verkregen toestemming van koningin Wilhelmina. Nadat de K-XVII was vernietigd, heeft Creighton de Koningin persoonlijk verslag uitgebracht. De enige zonde die de Nederlanders hadden begaan, was hun ontdekking dat de Japanse vloot onderweg was naar Pearl Harbor. Dit nieuws moest doelbewust achtergehouden worden, om er zeker van te zijn dat de Amerikanen bij de wereldoorlog betrokken werden. Men achtte het destijds van essentieel belang dat de hele Nederlandse bemanning dit geheim meenam in hun zeemansgraf.

01

02

03

Klik hier voor het volledige bovenstaande artikel.

04

Hieronder Creightons verklaring:

Het besluit om de Nederlandse onderzeeër K-XVII te vernietigen, werd om de volgende redenen genomen. Op 28 november 1941, toen luitenant-ter-zee Besançon de Japanse vloot in zicht kreeg, die zich kennelijk in de richting van Pearl Harbor begaf, seinde hij onmiddellijk een gecodeerd bericht naar het Britse marine-opperbevel in het Verre Oosten. Daaronder opereerden de Nederlanders. De boodschap werd onderschept door de afdeling cryptologie van de sectie M in Singapore. Binnen enkele uren arriveerden kopieën van het bericht in Washington, uitsluitend bestemd voor generaal Donovan persoonlijk, en in Londen, bij majoor Desmond Morton. Beiden lichtten hun respectieve chefs in, Roosevelt en Churchill. Deze vier personen wisten al dat Japan van plan was Pearl Harbor aan te vallen en hadden gebeden dat er niets tussen zou komen.
In die tijd nam tachtig procent van de Amerikaanse bevolking een bijzonder isolationistisch standpunt in en was ze sterk gekant tegen een oorlog met Japan of Duitsland.
Mocht Roosevelt Japan de oorlog verklaren zonder dat er Amerikaanse doelen waren aangevallen, dan was de kans groot dat hij zou moeten aftreden. Omgekeerd, wanneer Amerika zich afzijdig zou houden – zo concludeerden Morton en Donovan – zouden de Japanners vrij spel hebben en ongehinderd India, Australië, Nieuw-Zeeland en tal van andere landen in de Stille en Indische Oceaan kunnen bezetten. Het zou waarschijnlijk onmogelijk zijn om die landen in een later stadium te bevrijden. Bovendien hadden de Britten en hun bondgenoten de hulp van Amerika hard nodig in hun strijd tegen Duitsland. Wanneer de Japanners Pearl Harbor aanvielen, was het zeker dat Amerika zich in de oorlog zou mengen. Maar wanneer de Britse en Amerikaanse leiders van de komende aanval op de hoogte waren, waarom waren de Amerikaanse strijdkrachten in Pearl Harbor dan niet in paraatheid gebracht? En waarom kregen de Amerikaanse oorlogsschepen niet het bevel uit te varen? Op zee waren zij toch veel veiliger en konden zij terugvechten? Volgens deskundigen had de marinebasis toch met succes verdedigd kunnen worden? Het antwoord op de vraag waarom er dan niets gebeurde, is eenvoudig. Op Hawaii bevonden zich duizenden Japanse emigranten. De meesten stelden zich bijzonder loyaal op ten opzichte van hun nieuwe vaderland, maar sommigen hadden voor Japan gespioneerd. Bovendien bruiste het Japanse consulaat-generaal van de activiteiten. Wanneer de basis in paraatheid was gebracht, zou het Japanse oppercommando dit binnen een paar uur hebben geweten. De aanval zou zijn afgelast door keizer Hirohito, die erop stond dat het een complete verrassing zou zijn. Roosevelt zou geen aanleiding hebben gehad om Amerika bij de oorlog te betrekken, en dat zou rampzalig zijn voor de Geallieerden. Wat dit alles te maken had met de K-XVII, zal duidelijk zijn. Wanneer bekend was geworden dat Roosevelt en Churchill van de aanval op Pearl Harbor afwisten en niets hadden gedaan om die te voorkomen, zou niet alleen hun carrière ten einde zijn geweest, maar zou waarschijnlijk ook de hele alliantie uiteen zijn gevallen. Dan hadden de Japanners vrij spel en konden zij de halve wereld veroveren en plunderen. Zodra het bericht van de onderzeeër was ontvangen, werd de hele affaire omgeven met een muur van absolute geheimhouding. De K-XVII kreeg opdracht terug te keren naar de basis in Singapore om brandstof te bunkeren. De onderzeeër mocht niet de haven ingaan en in zijn verdere berichtgeving in geen geval toespelingen maken op de Japanse vloot. Onder de naam van luitenant-ter-zee Paul Hammond, een van mijn schuilnamen, die op de naam- en ranglijst van Britse marine-officieren voorkwam, reisde ik met een Berwick-vliegboot met speciale extra brandstoftanks via Nova Scotia, San Francisco en het eiland Wake naar de Noordelijke Marianen, waar ik mij de volgens afspraak op 6 december 1941 aan boord van de K-XVII begaf.
In dat stadium van de oorlog opereerden de Nederlandse onderzeeërs in het Verre Oosten onder het Britse marine-opperbevel, en ik was in het bezit van volmachten van het hoofd onderzeebootdienst, admiraal sir Max Horton, de opperbevelhebber van de vrije Nederlandse marine in Londen en van koningin Wilhelmina, die destijds resideerde in Reading Berkshire. Deze volmachten gaven mij de autoriteit om luitenant-ter-zee Besançon operationele opdrachten te geven in naam van de Britse admiraliteit, hoewel niemand van hen enig idee had waarvoor ik deze autoriteit wilde gebruiken. Dat gold ook voor luitenant-ter-zee Besançon. Bij een van de kleine Marianen, net ten zuiden van Pagan en ongeveer achthonderd zeemijl ten zuiden van Japan, werden er kratten uit de Berwick-vliegboot overgeladen in de onderzeeër. De bemanning kreeg te horen dat er kerstcadeautjes van de Koningin en hun collega’s in Engeland in zaten. De meeste kratten bevatten inderdaad jenever, whisky, bier, champagne en andere kerstmisspullen. Maar in één krat zat cyanidegas en in twee andere kratten explosieven en ontstekingsmechanismen met tijdschakelaars. Ik wachtte op een gecodeerd radiosignaal. Mocht de Japanse vloot haar aanval op Pearl Harbor afbreken, dan zou mijn operatie voorlopig overbodig zijn en afgelast worden. De volgende dag, op zondag 7 december 1941, kreeg ik bevel om de operatie voort te zetten. De Japanners hadden Pearl Harbor aangevallen. Die avond verliet ik de K-XVII en ging ik terug naar de Berwick. Een half uur later kwam het dodelijke cyanidegas vrij en was te zien hoe de bemanning trachtte uit de onderzeeër te ontsnappen. Even later explodeerde het vaartuig en zonk. Ik stelde vast dat er geen overlevenden waren.

Christopher Creighton
Londen, augustus 1980

Opmerking:

Volgens kapitein-luitenant ter zee F.C. van Oosten, in 1980 hoofd van de afdeling Maritieme Historie, lag de K-XVII op 6 december 1941 echter in Singapore en was er op 16 december 1941, dus 9 dagen na de aanslag van Creighton, nog radiocontact met de onderzeeër. En in mei 1982 vond het duikteam van Hatcher Diving Company in de buurt van het eiland Tioman, ten noordoosten van Singapore, een wrak van een onderzeeër. Het opgedoken stuurwiel met nummer 707 zou volgens de Koninklijke Marine van de K-XVII zijn geweest. De locatie van het wrak was een paar duizend mijl verwijderd van de positie waar, volgens Creighton, de K-XVII de Japanse vloot had ontdekt en door hem zou zijn opgeblazen.

Reactie van Creighton: “Waar we hiermee te maken hebben zijn mensen, historici, zowel in Londen als in Den Haag, die er in 1941 niet bij waren. Ik was  erbij, ik weet wat er gebeurd is. De K-XVII werd door mij opgeblazen op gezamenlijk bevel van Churchill en Roosevelt en met noodzakelijke, moeizaam verkregen toestemming van koningin Wilhelmina. Op haar verzoek heb ik persoonlijk aan de koningin in Reading verslag uitgebracht”.

1996: Interview met Creighton in de Britse pers:

The Dutch sub found near Tioman is a fake. A sistership (nominated for brake up) was dressed up like the K-XVII, they even altered the number on the steeringwheel (number was used to identify the wreck!). The boat was maneuvered to the minefield near Tioman, so the secret service must have known the location (that was changed at the last moment because the Japanese minelayer was disturbed by a Dutch plane) of the Japanese minefield without informing the Navy! Mines had to be moved or dismantled. Once in the minefield the boat was scuttled, using explosives in such a way that it would appear she was struck by a mine.

Gerard

Over een ongrondwettig besluit van koningin Wilhelmina en een showproces.

Op 8 augustus 1940 tekende de naar Londen gevluchte Wilhelmina een Koninklijk Besluit dat bepaalde dat  alle geëmigreerde Nederlandse mannen die geboren waren tussen 1904 en 1921 verplicht werden zich in te schrijven voor de dienstplicht.

Amand1

Maar met name in Engeland stuitte dit besluit op fel verzet van enkele daar wonende Nederlanders die in de jaren ’30 door de crisis en de massale werkeloosheid Nederland noodgedwongen hadden moeten verlaten, en na jarenlange arbeid een bestaan in hun nieuwe vaderland hadden opgebouwd. Ze voelden er daarom niets voor om hun moeizaam tot stand gekomen status op te geven om ingelijfd te worden in de pas opgerichte Prinses Irene Brigade, dat door menigeen in Engeland gezien werd als het ‘showlegertje van Willemien’.
Onder hen was de 34-jarige Jaques Amand die een bloeiende bloembollen- en bloemenzaak in Londen had. Ook hij zag er niets in om zijn leven te geven voor een land, waar hij alleen maar slechte herinneringen aan had. Daar kwam nog bij dat Amand van mening was dat het dienstplichtbesluit volgens de wet ongeldig was. Maar op vrijdagochtend 14 maart 1941, toen hij bij zijn zaak op Strand (West End) uit zijn auto stapte, werd hij gearresteerd. En na een proces op 13 oktober 1941 wegens desertie veroordeeld tot een celstraf van 27 maanden, waarvan hij een deel heeft uitgezeten om de rest van de oorlog als dienstplichtig militair bij de Prinses Irene Brigade te dienen.

Amand2

Amand3

Door Amand en andere in Engeland wonende Nederlanders werd de rechtszaak overigens als een showproces beschouwd. En daar hadden ze niet helemaal ongelijk in, aangezien Wilhelmina en haar regering helemaal niet bevoegd waren om de  dienstplicht in te voeren. De Nederlandse Grondwet bepaalde namelijk dat volgens Artikel 21 de regering zich nimmer buiten het koninkrijk mocht vestigen en dus ook geen koninklijke besluiten en wetten kon uitvaardigen. Het op 8 augustus 1940 getekende dienstplichtbesluit was daarom dan ook niet rechtsgeldig. Een en ander zou natuurlijk anders zijn geweest als Wilhelmina en haar regering in mei 1940 van de bestaande mogelijkheid gebruik hadden gemaakt de zetel van de regering te verplaatsen naar een niet door de vijand bezette stad binnen het (koloniale) Koninkrijk der Nederlanden. Dan zou er ook van ongrondwettelijkheid geen sprake zijn geweest.
Klik hier voor meer informatie over Artikel 21 van de Grondwet.

Amand4

Overigens kon men na de oorlog beter niet over de ongrondwettigheid van de zetelverplaatsing schrijven, zoals professor Pootjes in zijn tijdschrift ‘De Vredestichter’ had gedaan. Hij werd dan ook gestraft wegens het overtreden van artikel 111 (majesteitsschennis). Klik hier voor meer informatie over het proces-Pootjes.

Gerard

Nederlandse regering was medeschuldig aan de vele slachtoffers van de Watersnoodramp in 1953.

Door de geallieerde bombardementen in de herfst van 1944 op Duitse Bunkers om de toegang naar Antwerpen veilig te stellen, hadden de toch al in slechte staat zijnde Zeeuwse dijken het nog eens extra zwaar te verduren gekregen. Na de bevrijding vonden talrijke deskundigen, waaronder dr. ir. Johan van Veen, dan ook dat de dijken met spoed hersteld moesten worden, want een ramp lag op de loer. Maar daar was op dat moment geen geld voor omdat de koloniale oorlog in Nederlands-Indië ruim 830 miljoen gulden per jaar kostte. In september 1948 werd er zelfs 2 miljard gulden voor uitgetrokken. Dus het herstel van de dijken moest nog maar even uitgesteld worden, vond de regering, want het wingewest Indië moest koste wat het kost behouden blijven.

Zeeland1

Na bijna vijf jaar vergeefse strijd werd Nederlands-Indië op 27 december 1949 officieel de Republiek Indonesië. Maar nu moesten de meer dan 125.000 Nederlandse soldaten nog naar Nederland worden vervoerd. En ook dat kostte een kapitaal. Pas medio 1951 was het troepentransport afgerond.

En waar de deskundigen al jaren voor gewaarschuwd hadden werd bewaarheid toen tijdens een hevige storm in de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 de nog steeds niet herstelde dijken doorbraken. Een groot deel van Zeeland, West-Brabant en de Zuid-Hollandse eilanden liep onder water, waarbij meer dan 1800 mensen en duizenden dieren verdronken. 100.000 mensen verloren hun huis en bezittingen. Opgeofferd om Nederlands koloniale wingewest te behouden. Ook het dagblad De Waarheid was die mening toegedaan. Volgens die krant had de ramp niet hoeven te gebeuren wanneer de dijken waren verhoogd, maar het herstel van het koloniale gezag werd voor de ‘wederopbouw’ blijkbaar van groter belang geacht.

Zeeland2

Zeeland3

Zeeland4

Voor meer informatie over Drees en de koloniale oorlog, zie: “Erger dan Hitler in 1940”.

Gerard

Over de executie van Willem Röell en de zwijgende prins Bernhard.

Toen de Oranjes in mei 1940 de benen namen naar Engeland, bleef Bernards particuliere secretaris jhr. Willem G. Röell in Nederland achter om de bezittingen van de Prins te beheren. Tevens had Röell de geheime fondsen in beheer voor het formeren van een legertje bestaande uit achtergebleven adelborsten. De bedoeling van Bernhard was dat bij een eventuele terugtrekking van de Duitse troepen er een keurtroep klaar zou staan om de zaak over te nemen en Nederland te behoeden voor een eventuele communistische machtsovername.
Op paleis Het Loo kreeg Röell via een radiozender regelmatig instructies van prins Bernhard, die zich bediende van de codenaam ‘Oom Willy’. Ook enkele in 1940 en 1941 gedropte Nederlandse agenten kregen van ‘Oom Willy’ instructies mee voor Röell. Voorts konden zij bij hem een beroep doen op geld uit de geheime fondsen.
In maart 1942 werd Röell echter gearresteerd en voorgeleid aan SS-Obergruppenführer Rauter, maar door tussenkomst van de NSB-topman Rost van Tonningen – wiens zwager Dolf in Wageningen met Röell had gestudeerd – en na zijn officierswoord aan Rauter te hebben gegeven geen illegaal werk meer te verrichten, werd Röell vrijgelaten. Maar vanuit paleis Het Loo ging hij gewoon weer door met het radiocontact met de Prins in Londen.
Op 1 april 1942 werd Röell wederom gearresteerd. Rauter was woedend dat Röell zijn erewoord als officier had gebroken. Ruim vier maanden later, op 29 augustus 1942, werd hij alsnog gefusilleerd.
Uit latere vrijgegeven geheime stukken van het ministerie van Buitenlandse Zaken over de Londense periode van de Nederlandse ballingenregering heeft prins Bernhard indertijd zijn contacten met Röell steeds geheim gehouden. Want toen er medio 1942 een grote kans bestond om middels een spionnenruil in het neutrale Zweden Röell vrij te krijgen, hield de Prins zowel tegenover premier Gerbrandy als de minister van Buitenlandse zaken Van Kleffens zijn mond. Daardoor waren zij van het een en ander totaal niet op de hoogte. Blijkbaar vond Bernhard het instandhouden van zijn eigen geheime netwerk belangrijker dan de uitwisseling van zijn secretaris tegen een in Engeland vastzittende Duitse spion.

Roell1

Roell2

De zus van Willem Röell, jkvr. Catharina Röell, is overigens op 12 december 1995 vermoord.

Roell3

Gerard

Nederlandse regering hield jodenjagende burgemeester de hand boven het hoofd.

Zonder daartoe opdracht te hebben gekregen heeft de Barneveldse burgemeester Westrik tijdens de Duitse bezetting op eigen initiatief razzia’s georganiseerd op onderduikers en verzetsmensen, waarbij door hem ook 27 joden aan de Sicherheitsdienst (SD) zijn overgedragen voor transport naar Westerbork.
Bij één van die razzia’s op 5 oktober 1942 werd bij de familie Dekkers op de Stroeërweg 17 te Voorthuizen – waar een aantal joden ondergedoken zat – een joods meisje dat zich daar gillend van angst verzette door burgemeester Westrik eigenhandig van de trappen naar beneden gesleurd (zie Tweede Kamerverslag Goedhart). Een paar achtergelaten koffers met kledingstukken en een bedrag van 1200 gulden moest mevrouw Dekkers op 8 oktober 1942 aan de burgemeester afstaan. Niemand van de door hem eigenhandig opgepakte joden is na de oorlog teruggekomen.
Na de bevrijding werd Westrik door de Politieke Opsporingsdienst gearresteerd, maar door ingrijpen van de minister van Binnenlandse Zaken Louis Beel duurde het arrest maar één dag. Volgens de minister waren er geen steekhoudende beschuldigingen tegen Westrik ingebracht. Wel was Beel van mening dat enige gedragingen van de heer Westrik sterke afkeuringen verdienden, en dat hij met zijn houding tegenover joden fouten had gemaakt, maar dat er geen reden was om aan zijn goede trouw te twijfelen. (zie Tweede Kamerverslag Beel). Westrik was namelijk geen lid geweest van de NSB…..
Na tot 17 december 1945 geschorst te zijn geweest, kon Westrik dus gewoon aanblijven als burgemeester van Barneveld.
Verontwaardigd schreef de voormalige verzetskrant De Waarheid op 13 april 1946: ‘Zij, die de burgemeester de hand boven het hoofd houden, doen dit zeker niet uit trouw jegens Westrik, maar omdat zij, zelf bijna stuk voor stuk niet zuiver op de graat, zeer best weten dat met de arrestatie van de burgemeester ook hun rol uitgespeeld is’.
In mei 1946 is Westrik op eigen verzoek eervol ontslagen.

Hieronder het Tweede Kamerlid Goedhart tijdens het debat over burgemeester Westrik.

Westrik1

De reactie van minister Beel.

Westrik2

In het onderstaande artikel uit De Waarheid wordt gesproken over 23 joden, maar dat moet 27 zijn (zie Tweede Kamerverslag Goedhart).

Westrik3

Westrik4

Gerard

Merkwaardig besluit over de Nederlandse nationaliteit door de regering-Drees.

In 1953 werd door de regering van PVDA-premier Willem Drees besloten om de circa 40.000 mannen met hun gezinsleden – waarvan de mannen tijdens de bezetting in vijandelijke staats-of krijgsdienst waren getreden – binnen twee jaar hun Nederlanderschap terug te geven dat hen na de bevrijding was ontnomen.

01

Maar deze regeling gold niet voor de Nederlandse oud-Spanjestrijders die voor de oorlog met de Internationale Brigades tegen de  nationalisten van generaal Franco hadden gevochten.  Dit ondanks het feit dat deze groep tijdens de Duitse bezetting vaak een toonaangevende rol in het verzet had gespeeld. Zij bleven statenloos.

02

In hetzelfde jaar werden ook Nederlanders die in dienst waren van buitenlandse consulaten van de ene op de andere dag ook statenloos omdat ze zonder goedkeuring ‘in vreemde staatsdienst’ waren getreden. En dat terwijl menigeen al jarenlang op deze consulaten werkzaam was en er aanvankelijk geen goedkeuring was geëist.
Zo moesten in september 1953 alleen al in Rotterdam alle Nederlandse receptionistes, telefonistes en typistes van de consulaten van Amerika, Frankrijk, Noorwegen en Spanje opnieuw een verzoek tot naturalisatie indienen. En aangezien dat nogal wat tijd vergde, konden deze statenloze vrouwen in de tussentijd dus geen beroep meer doen op de rechten die aan een nationaliteit verbonden waren, zoals stemmen, trouwen, reizen, etc.

03

Gerard