Wilhelmina wilde na de oorlog een autoritair bewind onder leiding van het Oranjehuis.

De op 13 mei 1940 naar Londen gevluchte koningin Wilhelmina is een groot deel van haar jaren in ballingschap bezig geweest met het smeden van plannen om na de oorlog de parlementaire democratie op een zeer laag pitje te zetten. Vanwege haar onvrede over het parlementaire stelsel wilde ze na de bevrijding een geheel ander staatsbestel met een nieuwe grondwet in de richting van een autoritair bewind onder leiding van het Huis van Oranje. Hierbij kon ze uiteraard rekenen op veel sympathie van schoonzoon prins Bernhard, die ook al weinig van democratie moest hebben, en van de multinationals.
Al in september 1941 had ze aan Juliana in Canada geschreven: ‘In zeker opzicht is ons volk geheel onveranderd: ’t wil dat Oranje ’t voor het zeggen heeft; kamer en ministeries die waren nimmer populair, hebben afgedaan op dit ogenblik en ze willen door Oranje rechtstreeks geregeerd worden. Er mogen dan wel ministers zijn, en later ook wel een kamer, maar op ’t tweede plan’.
Hieruit blijkt maar weer dat Wilhelmina daar in Londen geheel buiten de realiteit leefde, want haar rede voor Radio Oranje op 2 september 1943 – dat ‘haar volk’ een kijkje gaf hetgeen zoal in Londen werd bekokstoofd – zorgde in het bezette Nederland  voor grote ongerustheid en felle kritiek. Met name dat zij na de oorlog een militair bewind wilde instellen.

01

Als degene die belast zou worden met de leiding van het militair gezag had Wilhelmina aanvankelijk prins Bernhard naar voren geschoven, maar aangezien dat op hevige weerstand van de ministerraad stuitte, werd uiteindelijk generaal Kruls door Wilhelmina aangesteld. Deze, op 13 mei 1940 eveneens gedeserteerde en naar Engeland gevluchte voormalige kapitein van het Nederlandse leger, moest de weg effenen voor het Oranjehuis opdat het later meer macht zou krijgen.
Door Wilhelmina en Kruls werden ook topmannen van multinationals met kantoren in Londen, zoals Philips, Unilever, AKU, Koninklijke Olie en de Nederlandsche Handelsmaatschappij, geselecteerd en in een officiersuniform gestoken.

In de verzetskranten werd direct scherpe kritiek geuit op het instellen van een militair bewind, zoals in De Oranjekrant, De Waarheid, Het Parool, etc. De Oranjekrant merkte op dat het Nederlandse volk geen nieuwe vorm van dictatuur wenste. En dat de enige herinnering die men nog van de Nederlandse officieren had bewaard, was van fuivende, champagnezwelgende lafaards.

02

En één dag voor de bevrijding meldde De Waarheid dat veel vaderlandslievende Nederlanders de grote lijnen begonnen te zien van een plan om het Duitse fascisme te vervangen door een nieuw soort Nederlands fascisme.

03

De krant vervolgde dat de Nederlandse bevolking hun vertrouwen had verloren in de plannen van de regering voor de bevrijding van Nederland.

04

Al op 4 oktober 1943 had deze verzetskrant geschreven: ‘De wederinvoering van de Staat van Beleg na de bevrijding vindt in Nederland weinig weerklank. Reeds eerder citeerden wij verschillende illegale bladen, die allen afwijzend stonden tegen de invoering van beperkende maatregelen in bevrijd Nederland. Ons volk vreest zeer terecht, dat onder de Staat van Beleg de poorten geopend worden voor een ongezonde militaire dictatuur die niet strookt met de doeleinden, waarvoor geheel ons volk de lijdensweg van een vertrapt volk doormaakt om uiteindelijk de overwinning over de machten der duisternis te behalen! Zouden wij een langdurig militair gezag moeten aanvaarden dan weten wij, dat wij weliswaar het nationaal-socialisme de voordeur hebben uitgetrapt, doch dat ditzelfde systeem in andere verschijningsvorm de achterdeur weer komt binnengeslopen. Wij willen volstaan het gehele Nederlandse volk en de gehele illegale beweging op te wekken waakzaam te zijn en te blijven tegen pogingen van zekere kringen, welke onze na de bevrijding herwonnen democratie in gevaar zouden kunnen brengen!’

Uiteindelijk is van Wilhelmina’s plan voor een autoritair bewind niets terechtgekomen. En ook haar militair gezag werd na veel tegenstand, en tot grote vreugde van de Nederlandse bevolking, op 4 maart 1946 alweer opgeheven.

Gerard

Advertenties