Waarom premier Rutte weigerde excuses te maken voor het veroorzaakte leed tijdens de koloniale oorlog.

Op vrijdag 14 augustus 2015 heeft premier Rutte verklaard dat hij de volgende dag bij de Indië-herdenking in Den Haag geen excuses zou gaan maken voor het leed dat Nederlandse militairen in de jaren 1946-1949 in Indonesië hebben veroorzaakt.

R1

Overigens is dat niet zo verwonderlijk, aangezien hij daarmee officieel zou erkennen dat de militairen indertijd – met instemming van de toenmalige Nederlandse regering! – orders van de legerleiding hebben uitgevoerd. Inclusief het standrecht, waarbij Indonesiërs zonder vorm van proces konden worden geëxecuteerd. Vandaar dat kapitein Westerling voor zijn massale standrechtelijke executies op Zuid-Celebes ook altijd de hand boven het hoofd is gehouden.
Zie ook mijn artikel: Nederlandse regering betaalde kapitein Westerling ‘zang-zwijggeld’.

Met name de voormalige verzetskrant De Waarheid, die fel tegen de koloniale oorlog gekant was, stelde de PVDA-ministers, waaronder premier Willem Drees, verantwoordelijk voor de door de Nederlandse militairen begane excessen: “Wanneer een dorp in Indonesië platgebrand wordt, of ergens een bloedbad wordt aangericht dan zijn de PVDA-ministers daarvoor verantwoordelijk”, aldus De Waarheid op 26 oktober 1948.
Zie ook mijn artikel: “Erger dan Hitler in 1940.”

R2

R3

Feit is dat Nederlandse soldaten die destijds in Indië weigerden excessen te begaan, zoals het standrechtelijk executeren van Indonesische guerrillastrijders, het in brand steken van kampongs, etc., – met instemming van minister-president Willem Drees (PVDA) – konden rekenen op een jarenlange gevangenisstraf, zoals de  Nederlandse mariniers Smit, De Hoog en Stokking die geweigerd hadden de kampong Soetodjajan, bij Pakisadji, in brand te steken.

R4

R5

R6

R7

R8

Tot slot nog wat over de Amnestie Ordonnantie.

Aangezien tijdens de koloniale oorlog aan beide zijden ernstige misdaden zijn gepleegd, is er in augustus 1949 tussen Nederland en Indonesië afgesproken dat “zij die worden vervolgd of die reeds zijn veroordeeld voor misdaden, die duidelijk een uitvloeisel zijn van het politieke conflict tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek van verdere strafvervolging zullen worden ontslagen of ontheven van hun straf, overeenkomstig zo spoedig mogelijk uit te vaardigen wettelijke of andere regelingen” (proclamatie, paragraaf 3 d.d. 3 augustus 1949).
De strekking van deze bepaling was derhalve dat ieder van beide regeringen zou afzien van verdere vervolging en bestraffing van hen die aan de zijde van de andere partij aan het ‘conflict’ tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië hadden deelgenomen en daarbij delicten hadden gepleegd, die als een duidelijk uitvloeisel van dat ‘conflict’ konden gelden.
Een en ander is in november 1949 vastgelegd in de Amnestie Ordonnantie (Indisch Staatsblad, 1949 nr.326) en ondertekend door zowel Nederland als Indonesië, waaronder de Indonesische president Soekarno.
Hieronder Artikel I en II van de Amnestie Ordonnantie, plus de volledige ordonnantie (klikken om te vergroten).

R9

R9a

R9b

Gerard

Advertenties