De toenmalige Nederlandse regering gaf opdracht tot de productie van mosterdgas.

In 1937 werd in opdracht van de toenmalige minister van Koloniën in Batujajar (Nederlands-Indië) begonnen met de bouw van een fabriek met een productie-installatie voor mosterdgas.
In 1939 was de fabriek gereed en begon men met de productie van het gas met zijn lugubere herinneringen aan de massale dood en verminking op de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog.
Vlak voor de Japanse inval op Java in maart 1942 werd een voorraad van 45.000 liter mosterdgas opgeslagen in tanks in een bunker op het fabrieksterrein.  Aangezien de bunker uitstekend was verborgen hebben de Japanners het nooit ontdekt.
Nadat Nederland op 27 december 1949 de soevereiniteit over Nederlands-Indië had overgedragen aan Indonesië, heeft de Nederlandse regering onder het motto ‘wat niet weet, wat niet deert’ gezwegen over de bunker met het levensgevaarlijke strijdgas.
Pas in 1977 heeft de Indonesische regering om opheldering verzocht omdat was gebleken dat de grond bij de voormalige fabriek was verontreinigd en de vegetatie aangetast. Ook had de plaatselijke bevolking verteld dat er indertijd in een fabriek door de Nederlanders ‘iets verdachts’ werd geproduceerd.
In opdracht van de toenmalige minister van Defensie Scholten vertrok in 1978 in het diepste geheim een onderzoeksteam van het TNO naar Batujajar en werd in Nederland een speciale verbrandingsoven gebouwd dat met het marinebevoorradingsschip Hr.Ms. Poolster naar Indonesië werd getransporteerd. Van juni tot september 1979 zijn de TNO-chemici bezig geweest met het vernietigen van de 45.000 liter mosterdgas.
Nadat eind 1981 het een en ander in de publiciteit was gekomen, werd door het ministerie van Buitenlandse Zaken glashard beweerd dat Nederland in de jaren 1939-1942 geen internationale verdragen had geschonden door het mosterdgas te produceren.

Mosterd1

Mosterd2

Mosterd3

Gerard

Advertenties