Zij moesten plaatsmaken.

Nadat koningin Juliana in april 1952 het Nederlandse volk had opgeroepen om te gaan emigreren, vertrokken er in de jaren daarna meer dan een half miljoen Nederlanders naar Zuid-Afrika, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. De overheid maakte het hen dan ook vrij gemakkelijk door vaak de overtocht te betalen en enkele honderden guldens ‘oprotpremie’ mee te geven. Door de ontstane ruimte kon daarna worden begonnen met de massale import van goedkope arbeidsmigranten. Allereerst werd door de overheid en werkgevers begonnen met het werven van Italianen en Spanjaarden en later met Turken en Marokkanen. In de Marokkaanse steden Rabat en Casablanca en de Turkse steden Ankara en Istanbul werden zelfs wervingskantoren geopend om de ‘gastarbeiders’, en later hun gezinnen, naar Nederland te halen.

Plaatsmaken2020

Gerard