Tagarchief: Koningin Wilhelmina

Gevluchte koningin Wilhelmina en haar regering wilden het met Hitler op een akkoordje gooien.

De op 13 mei 1940 gevluchte Wilhelmina en haar regering zaten nog maar amper een dag in Engeland, ‘om van daaruit de strijd voort te zetten’, of ze waren alweer van plan om –  tegen de afspraken met Engeland en Frankrijk in – met Nazi-Duitsland te gaan onderhandelen. Dat blijkt onder andere ook uit een vrijgegeven, geheim document uit het Britse archief.
Op de morgen van de 14e mei 1940 werd de Engelse minister van Buitenlandse Zaken lord Halifax benaderd door een verontruste Charles Corbin, de Franse ambassadeur in Londen. Dit naar aanleiding van een brief die Wilhelmina naar de Franse president Lebrun had gestuurd, en waaruit het Nederlandse voornemen werd opgemaakt.
Dit was overigens nog voor het Duitse bombardement op Rotterdam dat pas die middag om 13:30 uur zou plaatsvinden.

Onder druk van Churchill en het Britse oorlogskabinet werd het Nederlandse plan afgeblazen en moest Wilhelmina haar minister-president De Geer ontslaan en vervangen door Gerbrandy.

WilhHitler

Zie ook mijn artikel: De ‘plotselinge’ vlucht van koningin Wilhelmina en haar regering in mei 1940 was al vanaf november 1939 voorbereid.

Gerard

Volgens ex-officier van de Britse geheime dienst was ook koningin Wilhelmina betrokken bij de ondergang van de K-XVII.

Op vrijdag 21 maart 1980 werd de Nederland televisiekijker, en met name de nabestaanden, opgeschrikt door het verhaal van sir Christopher Creighton, een ex-officier van de Britse geheime dienst (sectie M), die volgens eigen zeggen in 1941 de Nederlandse onderzeeër K-XVII persoonlijk had opgeblazen op gezamenlijk bevel van Churchill en Roosevelt en met noodzakelijke, moeizaam verkregen toestemming van koningin Wilhelmina. Nadat de K-XVII was vernietigd, heeft Creighton de Koningin persoonlijk verslag uitgebracht. De enige zonde die de Nederlanders hadden begaan, was hun ontdekking dat de Japanse vloot onderweg was naar Pearl Harbor. Dit nieuws moest doelbewust achtergehouden worden, om er zeker van te zijn dat de Amerikanen bij de wereldoorlog betrokken werden. Men achtte het destijds van essentieel belang dat de hele Nederlandse bemanning dit geheim meenam in hun zeemansgraf.

01

02

03

Klik hier voor het volledige bovenstaande artikel.

04

Hieronder Creightons verklaring:

Het besluit om de Nederlandse onderzeeër K-XVII te vernietigen, werd om de volgende redenen genomen. Op 28 november 1941, toen luitenant-ter-zee Besançon de Japanse vloot in zicht kreeg, die zich kennelijk in de richting van Pearl Harbor begaf, seinde hij onmiddellijk een gecodeerd bericht naar het Britse marine-opperbevel in het Verre Oosten. Daaronder opereerden de Nederlanders. De boodschap werd onderschept door de afdeling cryptologie van de sectie M in Singapore. Binnen enkele uren arriveerden kopieën van het bericht in Washington, uitsluitend bestemd voor generaal Donovan persoonlijk, en in Londen, bij majoor Desmond Morton. Beiden lichtten hun respectieve chefs in, Roosevelt en Churchill. Deze vier personen wisten al dat Japan van plan was Pearl Harbor aan te vallen en hadden gebeden dat er niets tussen zou komen.
In die tijd nam tachtig procent van de Amerikaanse bevolking een bijzonder isolationistisch standpunt in en was ze sterk gekant tegen een oorlog met Japan of Duitsland.
Mocht Roosevelt Japan de oorlog verklaren zonder dat er Amerikaanse doelen waren aangevallen, dan was de kans groot dat hij zou moeten aftreden. Omgekeerd, wanneer Amerika zich afzijdig zou houden – zo concludeerden Morton en Donovan – zouden de Japanners vrij spel hebben en ongehinderd India, Australië, Nieuw-Zeeland en tal van andere landen in de Stille en Indische Oceaan kunnen bezetten. Het zou waarschijnlijk onmogelijk zijn om die landen in een later stadium te bevrijden. Bovendien hadden de Britten en hun bondgenoten de hulp van Amerika hard nodig in hun strijd tegen Duitsland. Wanneer de Japanners Pearl Harbor aanvielen, was het zeker dat Amerika zich in de oorlog zou mengen. Maar wanneer de Britse en Amerikaanse leiders van de komende aanval op de hoogte waren, waarom waren de Amerikaanse strijdkrachten in Pearl Harbor dan niet in paraatheid gebracht? En waarom kregen de Amerikaanse oorlogsschepen niet het bevel uit te varen? Op zee waren zij toch veel veiliger en konden zij terugvechten? Volgens deskundigen had de marinebasis toch met succes verdedigd kunnen worden? Het antwoord op de vraag waarom er dan niets gebeurde, is eenvoudig. Op Hawaii bevonden zich duizenden Japanse emigranten. De meesten stelden zich bijzonder loyaal op ten opzichte van hun nieuwe vaderland, maar sommigen hadden voor Japan gespioneerd. Bovendien bruiste het Japanse consulaat-generaal van de activiteiten. Wanneer de basis in paraatheid was gebracht, zou het Japanse oppercommando dit binnen een paar uur hebben geweten. De aanval zou zijn afgelast door keizer Hirohito, die erop stond dat het een complete verrassing zou zijn. Roosevelt zou geen aanleiding hebben gehad om Amerika bij de oorlog te betrekken, en dat zou rampzalig zijn voor de Geallieerden. Wat dit alles te maken had met de K-XVII, zal duidelijk zijn. Wanneer bekend was geworden dat Roosevelt en Churchill van de aanval op Pearl Harbor afwisten en niets hadden gedaan om die te voorkomen, zou niet alleen hun carrière ten einde zijn geweest, maar zou waarschijnlijk ook de hele alliantie uiteen zijn gevallen. Dan hadden de Japanners vrij spel en konden zij de halve wereld veroveren en plunderen. Zodra het bericht van de onderzeeër was ontvangen, werd de hele affaire omgeven met een muur van absolute geheimhouding. De K-XVII kreeg opdracht terug te keren naar de basis in Singapore om brandstof te bunkeren. De onderzeeër mocht niet de haven ingaan en in zijn verdere berichtgeving in geen geval toespelingen maken op de Japanse vloot. Onder de naam van luitenant-ter-zee Paul Hammond, een van mijn schuilnamen, die op de naam- en ranglijst van Britse marine-officieren voorkwam, reisde ik met een Berwick-vliegboot met speciale extra brandstoftanks via Nova Scotia, San Francisco en het eiland Wake naar de Noordelijke Marianen, waar ik mij de volgens afspraak op 6 december 1941 aan boord van de K-XVII begaf.
In dat stadium van de oorlog opereerden de Nederlandse onderzeeërs in het Verre Oosten onder het Britse marine-opperbevel, en ik was in het bezit van volmachten van het hoofd onderzeebootdienst, admiraal sir Max Horton, de opperbevelhebber van de vrije Nederlandse marine in Londen en van koningin Wilhelmina, die destijds resideerde in Reading Berkshire. Deze volmachten gaven mij de autoriteit om luitenant-ter-zee Besançon operationele opdrachten te geven in naam van de Britse admiraliteit, hoewel niemand van hen enig idee had waarvoor ik deze autoriteit wilde gebruiken. Dat gold ook voor luitenant-ter-zee Besançon. Bij een van de kleine Marianen, net ten zuiden van Pagan en ongeveer achthonderd zeemijl ten zuiden van Japan, werden er kratten uit de Berwick-vliegboot overgeladen in de onderzeeër. De bemanning kreeg te horen dat er kerstcadeautjes van de Koningin en hun collega’s in Engeland in zaten. De meeste kratten bevatten inderdaad jenever, whisky, bier, champagne en andere kerstmisspullen. Maar in één krat zat cyanidegas en in twee andere kratten explosieven en ontstekingsmechanismen met tijdschakelaars. Ik wachtte op een gecodeerd radiosignaal. Mocht de Japanse vloot haar aanval op Pearl Harbor afbreken, dan zou mijn operatie voorlopig overbodig zijn en afgelast worden. De volgende dag, op zondag 7 december 1941, kreeg ik bevel om de operatie voort te zetten. De Japanners hadden Pearl Harbor aangevallen. Die avond verliet ik de K-XVII en ging ik terug naar de Berwick. Een half uur later kwam het dodelijke cyanidegas vrij en was te zien hoe de bemanning trachtte uit de onderzeeër te ontsnappen. Even later explodeerde het vaartuig en zonk. Ik stelde vast dat er geen overlevenden waren.

Christopher Creighton
Londen, augustus 1980

Opmerking:

Volgens kapitein-luitenant ter zee F.C. van Oosten, in 1980 hoofd van de afdeling Maritieme Historie, lag de K-XVII op 6 december 1941 echter in Singapore en was er op 16 december 1941, dus 9 dagen na de aanslag van Creighton, nog radiocontact met de onderzeeër. En in mei 1982 vond het duikteam van Hatcher Diving Company in de buurt van het eiland Tioman, ten noordoosten van Singapore, een wrak van een onderzeeër. Het opgedoken stuurwiel met nummer 707 zou volgens de Koninklijke Marine van de K-XVII zijn geweest. De locatie van het wrak was een paar duizend mijl verwijderd van de positie waar, volgens Creighton, de K-XVII de Japanse vloot had ontdekt en door hem zou zijn opgeblazen.

Reactie van Creighton: “Waar we hiermee te maken hebben zijn mensen, historici, zowel in Londen als in Den Haag, die er in 1941 niet bij waren. Ik was  erbij, ik weet wat er gebeurd is. De K-XVII werd door mij opgeblazen op gezamenlijk bevel van Churchill en Roosevelt en met noodzakelijke, moeizaam verkregen toestemming van koningin Wilhelmina. Op haar verzoek heb ik persoonlijk aan de koningin in Reading verslag uitgebracht”.

1996: Interview met Creighton in de Britse pers:

The Dutch sub found near Tioman is a fake. A sistership (nominated for brake up) was dressed up like the K-XVII, they even altered the number on the steeringwheel (number was used to identify the wreck!). The boat was maneuvered to the minefield near Tioman, so the secret service must have known the location (that was changed at the last moment because the Japanese minelayer was disturbed by a Dutch plane) of the Japanese minefield without informing the Navy! Mines had to be moved or dismantled. Once in the minefield the boat was scuttled, using explosives in such a way that it would appear she was struck by a mine.

Gerard

Wilhelmina wilde na de oorlog een autoritair bewind onder leiding van het Oranjehuis.

De op 13 mei 1940 naar Londen gevluchte koningin Wilhelmina is een groot deel van haar jaren in ballingschap bezig geweest met het smeden van plannen om na de oorlog de parlementaire democratie op een zeer laag pitje te zetten. Vanwege haar onvrede over het parlementaire stelsel wilde ze na de bevrijding een geheel ander staatsbestel met een nieuwe grondwet in de richting van een autoritair bewind onder leiding van het Huis van Oranje. Hierbij kon ze uiteraard rekenen op veel sympathie van schoonzoon prins Bernhard, die ook al weinig van democratie moest hebben, en van de multinationals.
Al in september 1941 had ze aan Juliana in Canada geschreven: ‘In zeker opzicht is ons volk geheel onveranderd: ’t wil dat Oranje ’t voor het zeggen heeft; kamer en ministeries die waren nimmer populair, hebben afgedaan op dit ogenblik en ze willen door Oranje rechtstreeks geregeerd worden. Er mogen dan wel ministers zijn, en later ook wel een kamer, maar op ’t tweede plan’.
Hieruit blijkt maar weer dat Wilhelmina daar in Londen geheel buiten de realiteit leefde, want haar rede voor Radio Oranje op 2 september 1943 – dat ‘haar volk’ een kijkje gaf hetgeen zoal in Londen werd bekokstoofd – zorgde in het bezette Nederland  voor grote ongerustheid en felle kritiek. Met name dat zij na de oorlog een militair bewind wilde instellen.

01

Als degene die belast zou worden met de leiding van het militair gezag had Wilhelmina aanvankelijk prins Bernhard naar voren geschoven, maar aangezien dat op hevige weerstand van de ministerraad stuitte, werd uiteindelijk generaal Kruls door Wilhelmina aangesteld. Deze, op 13 mei 1940 eveneens gedeserteerde en naar Engeland gevluchte voormalige kapitein van het Nederlandse leger, moest de weg effenen voor het Oranjehuis opdat het later meer macht zou krijgen.
Door Wilhelmina en Kruls werden ook topmannen van multinationals met kantoren in Londen, zoals Philips, Unilever, AKU, Koninklijke Olie en de Nederlandsche Handelsmaatschappij, geselecteerd en in een officiersuniform gestoken.

In de verzetskranten werd direct scherpe kritiek geuit op het instellen van een militair bewind, zoals in De Oranjekrant, De Waarheid, Het Parool, etc. De Oranjekrant merkte op dat het Nederlandse volk geen nieuwe vorm van dictatuur wenste. En dat de enige herinnering die men nog van de Nederlandse officieren had bewaard, was van fuivende, champagnezwelgende lafaards.

02

En één dag voor de bevrijding meldde De Waarheid dat veel vaderlandslievende Nederlanders de grote lijnen begonnen te zien van een plan om het Duitse fascisme te vervangen door een nieuw soort Nederlands fascisme.

03

De krant vervolgde dat de Nederlandse bevolking hun vertrouwen had verloren in de plannen van de regering voor de bevrijding van Nederland.

04

Al op 4 oktober 1943 had deze verzetskrant geschreven: ‘De wederinvoering van de Staat van Beleg na de bevrijding vindt in Nederland weinig weerklank. Reeds eerder citeerden wij verschillende illegale bladen, die allen afwijzend stonden tegen de invoering van beperkende maatregelen in bevrijd Nederland. Ons volk vreest zeer terecht, dat onder de Staat van Beleg de poorten geopend worden voor een ongezonde militaire dictatuur die niet strookt met de doeleinden, waarvoor geheel ons volk de lijdensweg van een vertrapt volk doormaakt om uiteindelijk de overwinning over de machten der duisternis te behalen! Zouden wij een langdurig militair gezag moeten aanvaarden dan weten wij, dat wij weliswaar het nationaal-socialisme de voordeur hebben uitgetrapt, doch dat ditzelfde systeem in andere verschijningsvorm de achterdeur weer komt binnengeslopen. Wij willen volstaan het gehele Nederlandse volk en de gehele illegale beweging op te wekken waakzaam te zijn en te blijven tegen pogingen van zekere kringen, welke onze na de bevrijding herwonnen democratie in gevaar zouden kunnen brengen!’

Uiteindelijk is van Wilhelmina’s plan voor een autoritair bewind niets terechtgekomen. En ook haar militair gezag werd na veel tegenstand, en tot grote vreugde van de Nederlandse bevolking, op 4 maart 1946 alweer opgeheven.

Gerard

Hare Majesteit wenste geen joodse vluchtelingen in de buurt van haar zomerverblijf.

Begin maart 1939 had de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken H. van Boeyen na veel overleg gekozen voor een centraal vluchtelingenkamp op de Veluwe voor de uit Duitsland afkomstige joodse vluchtelingen. Het kamp zou gebouwd gaan worden op het Elspeterveld (gemeente Ermelo).

01

Maar dat stuitte op onoverkomelijke bezwaren van koningin Wilhelmina. In de brief d.d. 14 maart 1939 aan minister Van Boeyen staat “dat Hoogst derzelve bepaald betreurt, dat de keus van een plaats voor het vluchtelingenkamp zó dicht bij het zomerverblijf van Hare Majesteit gelegen is en dat het Hoogst derzelve aangenamer ware geweest indien dat terrein, eenmaal de keus op de Veluwe gevallen zijnde, veel verder van Het Loo had gelegen”.
Voor een goed begrip: de plek op het Elspeterveld, waar het kamp zou komen, lag ruim 12 kilometer van Het Loo. En beide oorden waren ook nog eens van elkaar gescheiden door dichte bossen.

Daarna werd naarstig gezocht naar een nieuwe plaats. Gekozen werd toen voor het Drentse Westerbork. Op 22 maart schreef Van Boeyen een brief aan de Wilhelmina, waarin hij haar meedeelde “dat in verband met de wensen van Hoogst derzelve is afgezien van het aanvankelijke voornemen der Regering”. Tevens werd haar meegedeeld dat het kamp in Westerbork zou komen.

02

03

04

Op 9 oktober 1939 betrokken de eerste Duitse joden het kamp Westerbork, waarna het op 1 juli 1942 door de Duitse bezetter werd overgenomen om te functioneren als doorgangskamp voor alle in ons land aanwezige joden.

De Amsterdamse hoogleraar prof. mr. I Kisch zou later in het tijdschrift ‘Studia Rosenthaliana’ onder andere schrijven: “Van enig gevoel van medeleven van koningin Wilhelmina met de Joodse vluchtelingen, en van enige wens om hun leed te lenigen, is nimmer ook maar iets doorgedrongen. En zo moet ik dan spreken van de Hoge Afwezige. In de zaak der vluchtelingen heeft zij het hart niet op de rechte plaats gedragen”, aldus prof. Kisch in juli 1969.

05

06

Zie ook: Deportaties naar Westerbork moesten doorgaan van de Nederlandse ballingenregering.

Gerard

Over een krachtdadige Deense koning en een gevluchte Nederlandse koningin.

Toen het Duitse leger op 9 april 1940 Denemarken binnenviel bleven de Deense koning Christiaan en zijn regering in het land.
Als symbool voor de Deense zaak maakte de koning iedere ochtend een rit te paard door Kopenhagen, waarbij hij niet begeleid werd door lakeien en bewakers.

DenemarkPaard

Doordat koning Christiaan op zijn post was gebleven, oefenden de Duitsers ook geen volledige controle uit op Denemarken en behield de regering een zekere zelfstandigheid in binnenlandse aangelegenheden. Ook bleef de politie onder Deense controle staan en mede door toedoen van koning Christiaan hoefden de Deense joden geen gele ster te dragen en hebben ze bijna allemaal de oorlog overleefd.

Dit staat dus in schril contrast met de al op de derde oorlogsdag smadelijk gevluchte koningin Wilhelmina (13 mei 1940).

VluchtWilhel

Door de (volgens artikel 21 van de Grondwet) ongrondwettige vlucht naar Engeland kreeg Nederland naast een militaire bezetting ook te maken met een Duits burgerlijk bestuur onder Rijkscommissaris Seyss-Inquart, dat extra noodlottig is geworden voor het joodse deel van de Nederlandse bevolking. Door de vlucht van koningin Wilhelmina en de Nederlandse regering mochten de Duitsers dus alle maatregelen nemen die ze maar wensten. Men zou dus gerust kunnen stellen dat Nederland met het aantreden van Seyss-Inquart als Rijkscommissaris ook geen bezet land meer was, maar een vazalstaat van Duitsland. Vandaar dat Nederland – in tegenstelling tot Denemarken – ook regelmatig (totaal circa 600 keer) door de geallieerden werd gebombardeerd.

Blom

Zie ook mijn artikel: De “plotselinge” vlucht van koningin Wilhelmina en haar regering in mei 1940 was al vanaf november 1939 voorbereid.

Tot slot nog wat over de Deense joden.

Toen de Duitsers in de herfst van 1943 tot het deporteren van Deense joden hadden besloten, werd hiertegen door koning Christiaan fel geprotesteerd. In een brief d.d. 1 oktober 1943 schreef hij: “Ik waarschuw u voor de zeer ernstige gevolgen van speciale maatregelen tegen een groep mensen die al zolang burgerrechten in Denemarken genieten”. Mede door toedoen van de koning hebben de Duitsers slechts 472 van de 7700 Deense joden kunnen wegvoeren. En door Christiaans uiterste inspanning zijn de 472 daarna niet naar Auschwitz gestuurd, maar naar Theresienstadt. Op een zestigtal na, die aan natuurlijke oorzaken zijn gestorven, zijn ze na de oorlog allemaal in Denemarken teruggekeerd (bron: De Deense opperrabbijn Melchior d.d. 12 mei 1961.)

Wat Nederland betreft, zie: Deportaties naar Westerbork moesten doorgaan van de Nederlandse ballingenregering.

Gerard

De leugen van Wilhelmina.

Vlak voor de naderende nederlaag in de Eerste Wereldoorlog heeft de Duitse keizer Wilhelm II besloten asiel te zoeken in het ‘neutrale’ Nederland. Officieel heette het dat koningin Wilhelmina (die verwant was aan de Duitse Keizer) niets afwist van zijn komst. In haar autobiografie ‘Eenzaam maar niet alleen’ schrijft zij dat ze pas op de hoogte werd gesteld toen Wilhelm al in Nederland was en niet begreep waarom de Duitse Keizer was gevlucht.

W0

Ook volgens Wilhelmina-biograaf Cees Fasseur reageerde Wilhelmina ongelovig op de vlucht van de Keizer, “laat staan dat zij ervan geweten zou hebben”. In zijn boek ‘Wilhelmina, de jonge koningin’ schrijft Fasseur dat de koningin geschokt was over de handelwijze van Wilhelm, en als volgt reageerde: “een vorst in tijden van nood behoort zijn land niet te ontvluchten, maar zo nodig strijdend ten onder te gaan” (dat was Hare Majesteit blijkbaar in mei 1940 alweer vergeten…..GdB).

Maar blijkens het onderstaande document uit het Franse archief d.d. 10 oktober 1918 was Wilhelmina al minstens een maand voor het einde van de Eerste Wereldoorlog van de komst van de Keizer op de hoogte. De Franse attaché in Den Haag meldt namelijk in het document dat het Nederlandse hof de burgemeester van Oldenzaal onder geheimhouding heeft opgedragen om 40 koffers van het Duitse keizerlijke hof door te sturen naar het kasteel van graaf Bentinck bij Arnhem.

W1

Daarna bracht Wilhelmina’s adjudant-generaal J.B. van Heutsz op 5 november 1918 ook nog eens een vierdaags bezoek aan Wilhelm op het keizerlijke hoofdkwartier in het door de Duitsers bezette Belgische Spa. Vanwege de Nederlandse ‘neutraliteit’ werd het bezoek pas twee dagen na het einde van de Eerste Wereldoorlog in de kranten bekend gemaakt, waarbij er nadrukkelijk op gewezen werd dat het bezoek niet bedoeld was geweest om de komst van de Keizer voor te bereiden…………

W2

Maar een dag nadat Van Heutsz op zaterdag 9 november was teruggekeerd, kwam ook keizer Wilhelm naar Nederland. Op 10 november 1918 werd hij hartelijk ontvangen door graaf Bentinck op het kasteel Amerongen, waar Wilhelm anderhalf jaar zou blijven. Dit tot groot ongenoegen van Engeland en Frankrijk, die hem als oorlogsmisdadiger wilden berechten. Wilhelm werd namelijk verantwoordelijk geacht voor schending van de Belgische neutraliteit, massadeportaties, systematische verwoesting van landstreken en onbeperkte duikbootoorlog. Op grond hiervan ontving de Nederlandse regering diverse uitleveringsverzoeken, maar dit werd onder druk van Wilhelmina steeds geweigerd.

W3

W4

Na het bovenstaande Koninklijk Besluit, waarbij vaststond dat Wilhelm niet uitgeleverd zou worden, verhuisde hij op 12 mei 1920 naar Huize Doorn te Doorn om daar de komende 21 jaar riant verder te leven.

W5

W6

Op 4 juni 1941 overleed Wilhelm op 82-jarige leeftijd in Doorn aan longembolie. De reusachtige krans die Hitler had bezorgd werd tijdens de bijzetting door Duitse soldaten van de bezettingsmacht aan het hoofd van de stoet meegedragen.

W7

Saillant detail is dat tijdens de Eerste Wereldoorlog een Duits cavalerie-regiment Wilhelmina’s naam droeg: “15e Husarenregiment Königin Wilhelmina der Niederlande”. Dit regiment viel in november 1914 het neutrale België binnen en heeft de rest van de oorlog aan het Oostfront gestreden.

W8a

W8b

W8c

Gerard

Over de ongrondwettige herinvoering van de doodstraf door koningin Wilhelmina.

Op 22 december 1943 tekende de in mei 1940 gevluchte koningin Wilhelmina in Londen het Koninklijk Besluit Bijzonder Strafrecht, waarin een aantal in het Wetboek van Strafrecht gestelde strafmaxima werden verhoogd, waaronder ook de herinvoering van de in 1870 afgeschafte doodstraf. Dit besluit werd een jaar later, op zondag 24 september 1944, door de toenmalige minister van Justitie Van Heuven Goedhart via Radio Oranje aan het Nederlandse volk bekendgemaakt.  Aldus werden na de oorlog in eerste instantie 190 mannen en vrouwen tot de doodstraf veroordeeld, waarvan daadwerkelijk 39 mannen en 1 vrouw, de 42-jarige Ans van Dijk, door een vuurpeloton zijn terechtgesteld.

D1

De eerste die op 16 maart 1946 voor het vuurpeloton stond was de journalist Max Blokzijl (61) die tijdens de Duitse bezetting voor Radio Hilversum pro-Duitse praatjes had gehouden.

D2

De laatste voltrokken doodvonnissen betroffen de in Nederlands-Indië geboren SS’er Andries Jan Pieters (35) en de Duitse SD-commandant in Friesland Wilhelm Artur Albrecht (48). Zij zijn op 21 maart 1952 op de Waalsdorpervlakte gefusilleerd.

D3

Los van het feit of  collaborateurs en oorlogsmisdadigers destijds al dan niet  geëxecuteerd moesten worden, was het herinvoeren van de doodstraf in 1943 geheel ongrondwettelijk aangezien de Nederlandse Grondwet indertijd bepaalde dat volgens Artikel 21 de Nederlandse regering zich nimmer buiten het Rijk mocht vestigen en dus ook geen wetten en Koninklijke Besluiten kon uitvaardigen. Laat staan de herinvoering van de doodstraf.

D4

Een en ander zou natuurlijk anders zijn geweest als koningin Wilhelmina en haar regering zich na de Duitse inval in een van de voormalige koloniën hadden gevestigd. Deze landen lagen namelijk wel binnen het Rijk, of dat Wilhelmina met het tekenen van het desbetreffende Koninklijk Besluit gewacht had tot zij en haar regering na de bevrijding in mei 1945 weer op Nederlandse bodem waren teruggekeerd.

Drie maanden voor de eerste executie van Max Blokzijl had overigens ook de hoofdredacteur van de Leeuwarder Koerier zich in december 1945  afgevraagd of het Koninklijk Besluit van 1943 wel toegepast zou kunnen worden omdat het niet op de door de Grondwet voorgeschreven wijze, en zonder overleg met de Staten Generaal, tot stand was gekomen.

D5

Klik hier voor meer bijzonderheden over de ongrondwettige vlucht in mei 1940 en Artikel 21 van de Grondwet.

Gerard

De “plotselinge” vlucht van koningin Wilhelmina en haar regering in mei 1940 was al vanaf november 1939 voorbereid.

Na de oorlog schreef de door de Nederlandse Staat gecontroleerde geschiedschrijver Loe de Jong dat de vlucht volkomen onverwacht was. Dat men nooit van plan was geweest om het land te verlaten. Aangezien de archieven indertijd nog gesloten waren viel dit toch niet te controleren, maar na het vrijgeven van een aantal dossiers bleek de werkelijkheid toch heel anders in elkaar te steken dan de Nederlandse bevolking was wijsgemaakt. Blijkens een destijds geheim document uit het Britse archief waren er al vanaf november 1939 voorbereidingen getroffen voor de vlucht naar Engeland.
Dit ondanks dat Artikel 21 van de Grondwet dit verbood (zie onderaan).

Begin november 1939 kwam bij Neville Bland, de Britse ambassadeur in Den Haag, namelijk het verzoek binnen of hij bij zijn regering wilde polsen of de Nederlandse koninklijke familie, samen met de sinds 1918 in Nederland wonende voormalige Duitse keizer Wilhelm II (aan wie de Oranjes verwant zijn) en de Nederlandse regering, bij een eventuele Duitse inval asiel zouden kunnen krijgen in Engeland (uit onderzoek is overigens gebleken dat het verzoek aan Neville Bland afkomstig was van de minister van Buitenlandse Zaken Van Kleffens. Op instructie van koningin Wilhelmina!).
Op 11 november 1939 telegrafeerde Neville Bland vanuit Den Haag het verzoek door naar de Britse regering in Londen, waarin hij zeer diplomatiek vermeldde “dat nog geen benadering had plaatsgevonden, maar dat hij graag onmiddellijk antwoord wilde geven als de vraag werd gesteld”………… (die dus inmiddels al was gesteld door Van Kleffens!).
Op 13 november 1939 kwam het Britse Oorlogskabinet bijeen om over Blands telegram te vergaderen (zie het onderstaande document). Het verzoek werd goedgekeurd en de Britse minister van Buitenlandse Zaken kreeg opdracht Neville Bland te antwoorden dat indien hij een officieel verzoek zou krijgen hij gemachtigd was om asiel te verlenen aan koningin Wilhelmina, haar familie en de Nederlandse regering. Wat de Duitse ex-Keizer Wilhelm II betrof (de oude vijand van Engeland uit de Eerste Wereldoorlog), zag men liever dat er geregeld werd dat hij in Zweden asiel zou krijgen, maar als het niet anders kon dan was men bereid ook hem en de leden van zijn familie in Engeland te ontvangen. Hierna begon men in Nederland met de voorbereidingen voor de vlucht, die een half jaar later op 13 mei 1940 zou plaatsvinden.

Pootjes2

Voor meer informatie, zie ook mijn onderstaande artikelen:

De smadelijke vlucht van de Oranjes en de Nederlandse regering in mei 1940.

Met de smadelijke vlucht naar Londen op 13 mei 1940 schonden koningin Wilhelmina en haar regering de Grondwet.

Over een krachtdadige Deense koning en een gevluchte Nederlandse koningin.

Gerard

Met de smadelijke vlucht naar Londen op 13 mei 1940 schonden koningin Wilhelmina en haar regering de Grondwet.

Nadat het Duitse leger op 10 mei 1940 Nederland was binnengevallen namen koningin Wilhelmina en haar regering op 13 mei de benen naar Engeland. Dit ondanks dat volgens Artikel 21 van de Grondwet de zetel van de regering in geen geval buiten het Rijk (dus Nederland en de koloniën) verplaatst mocht worden. Maar in Londen ging men, zonder parlement, gewoon door met het uitvaardigen van wetten en koninklijke besluiten, terwijl ze vanwege het schenden van de Grondwet daartoe absoluut niet meer gerechtigd waren. Laat staan om op 8 december 1941 Japan de oorlog te verklaren (zie mijn artikel) en op 22 december 1943 de doodstraf weer in te voeren (zie hier).

Artikel21

Artikel21Wilhel

Artikel21Reger

Opmerking van oud-premier Colijn over de ongrondwettige vlucht.

Artikel21Colijn

Opmerking:

Als gevolg van de toenemende spanningen in Europa achtte de Nederlandse regering het in 1937 gewenst een wet te laten voorbereiden waarop zij zich kon verlaten als er een noodtoestand zou ontstaan. Het begon dat jaar met de publicatie van zogeheten ‘Aanwijzingen’ waarin suggesties werden gedaan over de bevoegdheden van verschillende bestuursorganen van het Rijk in het geval van een vijandelijke inval en bezetting en de centrale regering geïsoleerd zou raken. De opdracht om die wet voor te bereiden werd verstrekt aan prof. mr. dr. G. van den Bergh, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Hij diende een wetsontwerp te maken voor een staatsnoodwet, of oorlogswet. Geen moment werd overwogen dat tijdens zo’n noodtoestand de regering het Rijk zou moeten verlaten. Zelfs als de oorlogswet die Van den Bergh had ontworpen nog wel vóór de capitulatie door de Staten generaal was aanvaard en in werking was gesteld, dan had deze niet voorzien in een stevige grondwettelijke basis die voor de Nederlandse regering noodzakelijk was om legaal te kunnen regeren vanuit een plaats buiten het Rijk. Die wet voorzag immers niet in het buitenwerking stellen van Artikel 21 van de Grondwet. Dus als men na de Duitse inval legaal buiten Nederland had willen regeren dan had men moeten uitwijken naar Suriname, de Nederlandse Antillen of Nederlands-Indië, maar niet naar Engeland. Overigens is het bewuste artikel bij de grondwetswijziging in 1983 geschrapt.

Zie ook mijn artikel: De “plotselinge” vlucht van koningin Wilhelmina en haar regering in mei 1940 was al vanaf november 1939 voorbereid.

Art21-1898

Gerard

Kritiek op de vlucht van Wilhelmina in 1940 kostte uiteindelijk aan 56 Nederlandse mannen en vrouwen het leven.

Nadat in Nederlands-Indië bekend was geworden dat koningin Wilhelmina op 13 mei 1940 naar Engeland was gevlucht werd ieder vorm van kritiek keihard de kop ingedrukt. Zo zijn er destijds op last van het Nederlandse koloniale gezag 57 Nederlandse mannen en vrouwen zonder vorm van proces geïnterneerd omdat ze op de een of andere manier hun ongenoegen over de vlucht hadden laten blijken.
Nadat ze – nog steeds zonder proces – anderhalf jaar lang onder erbarmelijke omstandigheden gevangen hadden gezeten, werden ze na de Nederlands-Indische capitulatie op 9 maart 1942 (met uitzondering van de dienstplichtige soldaat Stulemeijer) door het Nederlandse gezag overgedragen aan het Japanse leger die de majesteitsschenners wederom interneerden in de beruchte Jappenkampen (de mannen zijn later als dwangarbeider tewerkgesteld aan de Pakan Baroe- en de Birma-spoorweg). Niemand van hen heeft de oorlog overleefd.

Opmerking: Tussen de Nederlandse oorlogsverklaring aan Japan op 8 december 1941 en de Japanse inval op Java op 1 maart 1942 heeft een grote groep Nederlandse burgers nog kunnen uitwijken naar het veilige Australië, maar vanwege hun internering door het Nederlandse koloniale gezag hebben de 56 majesteitssschenners daar geen kans voor gekregen. Het werd hun dood.

De ‘staatsgevaarlijke majesteitsschenner’ Stulemeijer.

Nadat de destijds in Soerabaja woonachtige 22-jarige dienstplichtige KNIL-soldaat Johannes Ernst Stulemeijer had vernomen dat koningin Wilhelmina de wijk had genomen naar Engeland had hij hevig teleurgesteld tegen zijn buurman H.W.B. Beekwilder uitgeroepen: “Nu komen die moffen binnen en neemt de koningin de benen!”. Vanwege deze “defaitistische” opmerking heeft de buurman hem aangegeven.
Stulemeijer: “Eensklaps stonden er 10 gewapende militairen, aangevoerd door kapitein Blecking, die mij gelastte met mijn handen omhoog mee te gaan. Daarna werd ik opgesloten in een snikhete cel van Fort Ngawi”.
Nadat de Nederlandse ballingenregering in Londen op 8 december 1942 Japan de oorlog had verklaard, biedt Stulemeijer – die inmiddels al anderhalf jaar zonder proces gevangen zit – zich aan om als militair Java te helpen verdedigen in geval van een Japanse invasie. Het verzoek wordt genegeerd en er gebeurt iets heel anders.
Op 21 januari 1942 wordt hij – samen met een grote groep leden van de Nederlands-Indische NSB – in Soerabaja ingescheept aan boord van het m.s. ‘Tjisadane’ die hem via Kaapstad naar Suriname zal brengen. “Vergeet de boten, de boeien en de reddingsvlotten”, krijgt hij aan boord van de ‘Tjisadane’ te horen van een marinier die hem moet bewaken. “Die zijn niet voor jou. Als er wat gebeurt, verzuip je als een rat, want jij verdient niet beter.” Stulemeijer, die tijdens de reis opgesloten zit in een grote stalen kooi in het voorschip, komt uiteindelijk op 1 maart 1942 in Paramaribo aan. Daar wordt hij geïnterneerd in het Nederlandse concentratiekamp ‘Jodensavanne’ (ook wel ‘De Groene Hel’ genoemd), waar hij jarenlang onder erbarmelijke omstandigheden geïnterneerd zal blijven.
Als op 5 mei 1945 Nederland is bevrijd moet Stulemeijer aanwezig zijn als in het kamp de Nederlandse driekleur wordt gehesen en het Wilhelmus ten gehore wordt gebracht. De verzwakte Stulemeijer krijgt van een Nederlandse marinier te horen dat als hij tijdens de hele ceremonie niet stram in de houding blijft staan er op hem geschoten zal worden. Ruim een jaar na de oorlog wordt Stulemeijer op 15 juli 1946 met het m.s. ‘Boissevan’ naar Nederland gevaren en, nadat het schip op 6 augustus 1946 in Amsterdam heeft afgemeerd, zonder verdere toelichting in vrijheid gesteld. Ruim 6 jaar na zijn arrestatie ziet hij ook zijn vrouw en dochtertje terug. Mevrouw Stulemeijer wist niet eens dat haar man nog leefde. Het Nederlandse Rode Kruis had hem namelijk als ‘verdronken’ opgegeven!………
Later heeft Stulemeijer nog getracht eerherstel te verkrijgen. Op zijn vraag waarom hij destijds geïnterneerd was geworden, kreeg hij ten antwoord: “U werd potentieel staatsgevaarlijk geacht en daarom vastgezet”.
Stulemeijer: “Ik heb geprobeerd recht te verkrijgen. Ik heb in zelfs een proces aangespannen tegen de Nederlandse staat. Het mocht niet baten.”

Gerard (informatie van J.E. Stulemeijer, 1977).

Stulemeyer

StulemTK

Zie ook mijn artikel:

De “plotselinge” vlucht van koningin Wilhelmina en haar regering in mei 1940 was al vanaf november 1939 voorbereid.