Categorie archief: Prins Bernhard

De radiorede van een prinselijke deserteur.

Terwijl in Nederlands-Indië de gevechten met het Japanse leger nog in volle gang waren, hield prins Bernhard op vrijdagavond 6 maart 1942  voor Radio Oranje in zijn beste Nederlands een toespraak tot de rijksgenoten in het verre Indië. Alsof ze daar 12.000 km verderop, midden in een felle oorlog, rustig naar de zeer slecht te ontvangen oranjezender zaten te luisteren.
Bernhard, die in 1936 naast zijn officiersrang in Nederland tevens benoemd was tot officier van het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL), vertelde dat hij gaarne hun strijd had willen meemaken, maar dat het van de regering niet mocht, en dat hij zich hierbij moest neerleggen.

01PBindie

Het is onbekend of Bernhards toespraak vanwege de chaos in Indië is ontvangen, maar in ieder geval wel in het bezette Nederland. Behalve de verstokte oranjeklanten werd Bernhards toespraak door veel Nederlanders zeer sceptisch ontvangen. Men was niet vergeten dat in de meidagen van 1940 – terwijl Nederlandse soldaten als leeuwen tegen de Duitsers vochten en er dagelijks honderden jonge jongens sneuvelden – deze ritmeester van het regiment Huzaren van Boreel lafhartig de benen had genomen. En nu zou hij samen met de KNIL-soldaten in Indië tegen de Jappen hebben willen vechten? Velen namen Bernhards woorden dan ook totaal niet serieus.
De deftige Haagse ‘De Residentiebode’ schreef daags na Bernhards toespraak op 7 maart 1942: ‘De Prins-Gemaal, die zich reeds eerder in 1940 tijdig in veiligheid stelde, schaamt zich niet thans voor de microfoon te treden en zijn afzijdigheid te vergoelijken met een beroep op de regering’.
En de Alkmaarsche Courant schreef twee dagen later: ‘Het is niet duidelijk waarom de Prins deze verklaring aflegde wanneer zijn voorgenomen plannen toch geen voortgang kunnen hebben. Velen, die tot het laatste moment aan de Grebbeberg en elders de strijd met de overmachtige vijand aanbonden, hadden het zeker gewaardeerd, als de Prins toen in Holland was gebleven en de gevaren van zijn soldaten te velde had gedeeld’.

Saillant detail is dat de rede van Bernhard daarna niet met het Wilhelmus werd besloten, maar met zang van een dameskoor. Alsof de leiding van Radio-Oranje als bij intuïtie voelde dat ons volkslied hier niet paste.

Zie ook: Over Veteranendag, de witte anjer en de Biesterfelder deserteur.

Gerard

De ‘Oranjegestapo’ van de Prins.

Nadat het hoofdkwartier van de op 5 september 1944 opgerichte Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (de BS), met prins Bernhard als bevelhebber, zich in november 1944 in het pas bevrijde zuiden had gevestigd ging het helemaal mis. Honderden onschuldige mensen werden in het wilde weg door de BS opgepakt. Een getuigenis van een rancuneuze buurman, een jaloerse man of vrouw, of een doortrapte concurrent was voldoende om iemand enige tijd in een kamp te doen belanden. En wie eenmaal in de kampen zat, bleef daar ook. Al was hij of zij absoluut onschuldig. Er werd niets gecontroleerd en de gevangenen werden ook niet verhoord.
Zo werden er op 30 juni 1945 in Vught negentien mannen vrijgelaten die al vanaf november 1944 volstrekt onschuldig gevangen hadden gezeten en in december 1945 hetzelfde met een schakende man.

01BennoBS

Men schatte dat er alleen al de eerste weken honderden mannen en vrouwen in het bevrijde zuiden ten onrechte door de BS waren opgepakt. De procureur-generaal in Den Bosch, baron Speyart van Woerden, vermeldde later in zijn rapport: ‘Iedereen werd vastgezet die werd aangegeven, onder het motto: wij kunnen beter honderd mensen onverdiend vastzetten dan er één die het wel verdient heeft te laten lopen’.
In veel gevallen werden  de mensen in de kampen door de BS behandeld op een manier die rechtstreeks van de Nazi’s was afgekeken.
In 1950 schreef mr. A.M. baron van Tuyll van Serooskerken in een nota: ‘Het onderzoek heeft uitgemaakt, dat nagenoeg alom bewakers zich niet hebben ontzien weerloze mensen te kwellen en te mishandelen, waarbij door de Duitsers gedurende de bezetting toegepaste methoden zijn overgenomen’.

Door onvoldoende selectie zaten in de BS nogal wat lieden die zelf in de gevangenis thuishoorden in plaats van in een arrestatieteam. Bernhards legertje had een enorme werfkracht en iedere ‘goede vaderlander’ (dus niet-NSB’er) was welkom. Het aanmelden gaf totaal geen problemen. Je moest bijvoorbeeld voor twee tafeltjes verschijnen. Aan het ene werd gevraagd of je een goed Nederlander was. Na het ‘ja’ kwam je bij het tweede tafeltje, waar de oranje-armband werd uitgereikt (in mei 1945 waren er in heel Nederland 150.000 tot 200.000 BS’ers, terwijl het aantal werkelijke verzetsstrijders nooit meer dan circa 40.000 mannen en vrouwen heeft geteld). Voor veel echte verzetsmensen leek het of ineens ‘iedereen in het verzet had gezeten’. Daar hadden ze tijdens de bezetting nooit iets van gemerkt.
De BS – dat al gauw in de volksmond ‘de Gestapo van de Prins’, ‘Oranjegestapo’, ‘de ‘W.A. van de Prins’, etc. werd genoemd – maakte er een dusdanige puinhoop van dat premier Gerbrandy eind 1944 in een brandbrief aan koningin Wilhelmina schreef:
‘Sinds de bevrijding hebben zich talrijke elementen in de Binnenlandse Strijdkrachten ingedrongen wier verleden en gedragingen de BS onder de bevolking een zeer slechte naam bezorgen. Alle handelingen van de BS worden verricht door jongelieden met een Oranje armband, waarop gedrukt staat het woord Oranje, en die zich beroepen slechts  gehoorzaamheid verschuldigd te zijn aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard. Het gevaar voor de reputatie van Zijne Koninklijke Hoogheid, en indirect  het gehele koningshuis, behoeft geen betoog. Nog staat het gezag van het Oranjehuis zeer hoog, het is echter niet te ontkennen dat het door prins Bernhard gevaar begint te lopen’.

02BennoBS

Volgens dr. L. de Jong van het NIOD waren de vele discussies rond het optreden van de BS ook niet voorbijgegaan aan het geallieerde hoofdkwartier. Dat liet in december 1944 aan prins Bernhard weten dat zijn BS beter opgeheven kon worden. De Prins wendde zich daarna woedend tot generaal Eisenhower en wist door zijn persoonlijke inzet het voortbestaan van ‘zijn BS’ te redden.

03BennoBS

Ook nadat de rest van Nederland was bevrijd werd een groot aantal onschuldigen door de BS opgepakt en geïnterneerd, zoals ook de vier totaal onschuldige, zwangere vrouwen die opgesloten werden in de strafgevangenis van Scheveningen. Dit is zelfs in december 1945 nog aan de orde geweest in de Tweede Kamer, waarbij het Kamerlid Jan Terpstra (AR) zich afvroeg of er zo niet nog honderden of duizenden anderen onschuldigen ten onrechte waren opgesloten. En Terpstra’s vraag werd in 1950 beantwoord nadat uit onderzoek was gebleken dat rond de 5000 mannen en vrouwen onder erbarmelijke omstandigheden volkomen onschuldig gevangen hadden gezeten.

04BennoBS

05BennoBS

Prins Bernhard had indertijd ook een aantal uitgesproken foute kerels als BS-commandant onder zich, zoals Nico Sikkel en Carel Frederik Overhoff.

Nico Sikkel.

Eind 1944 werd Sikkel benoemd tot gewestelijk BS-commandant in Haarlem. De benoeming kwam overigens nogal als een verrassing van het daar georganiseerde verzet. Niemand kende hem eigenlijk.
Als zijn adjudanten nam Sikkel de Velser rechercheurs Kuntkes en Haak aan die bijna de gehele oorlog gemene zaak met de Duitsers hadden gemaakt, waaronder het opsporen van onderduikers en joden, maar zich nu – in de nadagen van de Duitse bezetting – bij de BS van Sikkel hadden aangesloten. Na de oorlog kwam Sikkel in opspraak vanwege het doorspelen van namen van communistische verzetsstrijders aan de Duitse Sicherheitsdienst (SD), waardoor velen van hen – waaronder Hannie Schaft – vlak voor de bevrijding zijn gefusilleerd (klik hier voor meer informatie).

Carel Frederik Overhoff.

Als gewestelijk BS-commandant  van Amsterdam werd Carel Frederik Overhoff eind 1944 benoemd. Dit ondanks dat hij de voorgaande bezettingsjaren nooit in het verzet had gezeten. Integendeel, als Beursvoorzitter van de Vereniging voor de Effectenhandel was hij betrokken geweest bij de verkoop van geroofde joodse effecten ter waarde van 300.000 toenmalige guldens. Het ging hem dusdanig voor de wind dat hij in grote staat kon gaan wonen op de buitenplaats Vegtvliet in Breukelen.
In 1947 werd Overhoff door zijn vriend Bernhard ook nog eens onderscheiden met de Militaire Willems Orde, maar vier jaar later, op 10 mei 1951 was het  uit met de pret. Overhoff werd alsnog tot 2,5 jaar gevangenisstraf veroordeeld en uit het register van de Militaire Willems-Orde geschrapt.

06BennoBS

07BennoBS

08BennoBS

09BennoBS

De BS’ers van Overhoff  behoorden overigens ook al niet tot het beste soort. Meer dan 80% had voor september 1944 nooit in het verzet gezeten en onder hen bevonden zich nogal wat zwarthandelaren, klaplopers en lieden die hand- en spandiensten aan de vijand hadden verricht. Pas na september 1944, toen de geallieerden aan de winnende hand waren, hadden ze zich bij de BS aangesloten. ‘Septemberridders’ werden ze dan ook door de echte verzetsmensen genoemd.
Tot slot kan nog worden vermeld dat de ongedisciplineerde BS’ers van Overhoff tijdens het bevrijdingsfeest op de Amsterdamse Dam op 7 mei 1945 bewust een schietpartij met de Duitse Kriegsmarine hebben uitgelokt, waarbij onder de feestvierders veel doden en gewonden zijn gevallen. Niemand is ooit gestraft en de zaak verdween spoedig daarna in de doofpot. Het legertje van de Prins was in het geding….. (klik hier voor meer informatie).

Gerard

 

 

Over de executie van Willem Röell en de zwijgende prins Bernhard.

Toen de Oranjes in mei 1940 de benen namen naar Engeland, bleef Bernards particuliere secretaris jhr. Willem G. Röell in Nederland achter om de bezittingen van de Prins te beheren. Tevens had Röell de geheime fondsen in beheer voor het formeren van een legertje bestaande uit achtergebleven adelborsten. De bedoeling van Bernhard was dat bij een eventuele terugtrekking van de Duitse troepen er een keurtroep klaar zou staan om de zaak over te nemen en Nederland te behoeden voor een eventuele communistische machtsovername.
Op paleis Het Loo kreeg Röell via een radiozender regelmatig instructies van prins Bernhard, die zich bediende van de codenaam ‘Oom Willy’. Ook enkele in 1940 en 1941 gedropte Nederlandse agenten kregen van ‘Oom Willy’ instructies mee voor Röell. Voorts konden zij bij hem een beroep doen op geld uit de geheime fondsen.
In maart 1942 werd Röell echter gearresteerd en voorgeleid aan SS-Obergruppenführer Rauter, maar door tussenkomst van de NSB-topman Rost van Tonningen – wiens zwager Dolf in Wageningen met Röell had gestudeerd – en na zijn officierswoord aan Rauter te hebben gegeven geen illegaal werk meer te verrichten, werd Röell vrijgelaten. Maar vanuit paleis Het Loo ging hij gewoon weer door met het radiocontact met de Prins in Londen.
Op 1 april 1942 werd Röell wederom gearresteerd. Rauter was woedend dat Röell zijn erewoord als officier had gebroken. Ruim vier maanden later, op 29 augustus 1942, werd hij alsnog gefusilleerd.
Uit latere vrijgegeven geheime stukken van het ministerie van Buitenlandse Zaken over de Londense periode van de Nederlandse ballingenregering heeft prins Bernhard indertijd zijn contacten met Röell steeds geheim gehouden. Want toen er medio 1942 een grote kans bestond om middels een spionnenruil in het neutrale Zweden Röell vrij te krijgen, hield de Prins zowel tegenover premier Gerbrandy als de minister van Buitenlandse zaken Van Kleffens zijn mond. Daardoor waren zij van het een en ander totaal niet op de hoogte. Blijkbaar vond Bernhard het instandhouden van zijn eigen geheime netwerk belangrijker dan de uitwisseling van zijn secretaris tegen een in Engeland vastzittende Duitse spion.

Roell1

Roell2

De zus van Willem Röell, jkvr. Catharina Röell, is overigens op 12 december 1995 vermoord.

Roell3

Gerard

Diplomatiek berichtenverkeer in 1944 over het SS-lidmaatschap van prins Bernhard.

Hieronder twee stukken die in januari 2010 zijn vrijgegeven door het Nationaal Archief in Den Haag.

Op 15 september 1944 telegrafeert de Nederlandse ambassadeur in Washington, Alexander Loudon, aan het ministerie van Buitenlandse Zaken:

‘Plotseling duiken in de U.S.A., vooral New York Herald Tribune, berichten op dat prins Bernhard lid zou zijn geweest van de SS. Dit zou kunnen wijzen op duistere georganiseerde actie om positie Z.K.H. te ondermijnen mede in verband recente benoeming van de Prins (tot bevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten op 3 september 1944 – GdB). Om aangelegenheid niet controversieel te maken acht ik het niet gewenst hiertegen officieel stelling te nemen; ik wil echter particulieren aanmoedigen verontwaardigde ingezonden stukken te schrijven. Wilt seinen of U hiermede akkoord gaat en mij zoveel mogelijk materiaal toezenden om ook eventuele verdere aantijgingen tegen te gaan.’ LOUDON 529

15SEPT

De volgende dag, 16 september 1944, telegrafeert de minister van Buitenlandse zaken Eelco van Kleffens vanuit zijn Londense verblijfplaats:

‘Ik maak hieruit op dat U wellicht niet bekend is dat betrokkene inderdaad korte tijd lid is geweest van een SS hulpdienst, waaraan hij, wellicht om erger te voorkomen, toen niet kon ontkomen. Merk op dat dit plaats had geruime tijd vóór zijn huwelijk. Akkoord hiertegen niet officieel stelling te nemen.
Gezien waarheid acht ik ongeraden ingezonden stukken te laten schrijven. Vraag mij af of berichten berust op boek Paneth over Koningin, waarin dit feit vermeld wordt. Kan N.I.B. iets doen om verdere verspreiding van dit boek tegen te gaan?’. Van Kleffens. 

16SEPT

Opmerking: Het boek waar Van Kleffens naar verwijst is ‘Oueen Wilhelmina Mother Of The Netherlands’ door Philip Paneth (1943), waarin Bernhards SS-lidmaatschap wordt vermeld. Het is de Nederlandse ambassade in Washington echter niet gelukt om verdere verspreiding van dit boek tegen te gaan.

Zie ook mijn artikel: Omgetoverd van een jong invloedrijk lid van Hitlers lijfwacht in een Prins der Nederlanden.

Gerard

Op verzoek van prins Bernhard hebben honderden ex-Waffen-SS’ers in Indië gevochten.

Terwijl prins Bernhard, als bevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten, in september 1944 nog had opgemerkt dat gevangengenomen Nederlandse Waffen-SS’ers beter geëxecuteerd konden worden, kwam hij in 1946 bij minister van Oorlog Jo Meynen met het plan om deze lieden dienst te laten nemen bij de Koninklijke Landmacht om ze voor het herstel van het koloniale gezag naar  Nederlands-Indië te sturen.
Aangezien de Waffen-SS’ers nog steeds opgesloten zaten vanwege wandaden tijdens de oorlog zag minister Meynen aanvankelijk helemaal niets in het plan van de Prins, maar omdat Nederland al meer behoefte kreeg aan goed getrainde en ervaren frontsoldaten, die het op dat moment niet ter beschikking had, werd het toch maar in overweging genomen, mits ze geen lid waren geweest van de NSB. Dat blijkt uit regeringsdocumenten uit die tijd. In een memorandum aan minister-president Schermerhorn (PVDA) werd het totaal van de door de Duitsers geoefende Nederlandse soldaten geschat op rond de 30.000 man (Waffen-SS, NSKK en Kriegsmarine) en uit een rapport van het directoraat-generaal voor Bijzondere Rechtspleging uit 1946 bleek dat er van werd uitgegaan dat wie tot de elitetroepen van de Waffen-SS hadden behoord, als bijzonder ervaren en goede militairen werden beschouwd om bij te dragen aan de strijd tegen de ‘Indonesische extremisten’. Na een training van enkele weken in het hanteren van geallieerde wapens konden ze onmiddellijk tot actie overgaan, aldus het rapport.
Een paar maanden later maakten al tientallen Waffen-SS’ers, die een paar jaar daarvoor nog hun leven op het spel hadden gezet voor het in stand houden van Hitlers Derde Rijk, op Java al deel uit van een compagnie Grenadiers en Jagers dat onder bevel stond van luitenant-kolonel Taets van Amerongen.

SSindie1

Een oud-SS’er, die tot 1949 op Java diende, heeft later opgemerkt: “De werkplaats van de Militaire Transportdienst was exact een kopie van de werkplaats zoals ik die had meegemaakt in Jõhvi aan het Oostfront, hier ingericht door lui die het bij de Waffen-SS hadden geleerd”.
Ook had hij in zijn tijd in Indië een aantal van zijn voormalige Oostfrontkameraden teruggezien.

Hieronder de verklaring van de sergeant-KNIL Harry Hammelburg van de inlichtingendienst over de Waffen-SS’ers op West-Java.

Het moet rond de Eerste Politionele Actie geweest zijn, dus juli/augustus 1947. Ik was als inlichtingenman van het KNIL gedetacheerd bij de Grenadiers en Jagers in Tjibadak. Het was een onderdeel van de 7-December  Divisie. Op een ochtend zag ik een groep militairen gymnastiekoefeningen doen. Er viel mij iets gek op: onder hun oksel hadden ze allemaal een lelijk litteken. Ik vroeg aan één van die mannen wat dat was. Hij vertelde mij dat op die plek ooit een bloedgroep was getatoeëerd. Op mijn vraag waarom hij en zijn maats zo’n belangrijk gegeven hadden laten wegsnijden ging hij niet in. Een onderofficier die bij die groep hoorde gaf bij navraag een duidelijker antwoord: “Weet je dat niet?” zei hij verbaasd. “Dat zijn voormalige leden van de Waffen-SS. Daar was het verplicht je bloedgroep onder je oksel te laten tatoeëren. Ze zijn bij ons ingedeeld, maar er zitten er nog meer bij andere onderdelen. Ze doen hier dienst in plaats van hun straf uit te zitten”, zei de man zonder enige terughoudendheid. Bij de hoogste baas van de eenheid waar ik de ex-SS’ers had ontdekt, overste Taets van Amerongen, wekte ik grote woede op toen ik om opheldering vroeg: “Daar heb je niets mee te maken. Weg wezen!”, zei hij. Maar ik liet het er niet bij zitten en gelastte de marechaussee een onderzoek in te stellen en kreeg een bevestiging dat het hier inderdaad om voormalige leden van de Waffen-SS ging. Enkele weken later moest ik op de Generale Staf zijn in Batavia. Daar ontmoette ik kolonel Thomson, de rechterhand van generaal Spoor. Ook hij bevestigde het verhaal, maar liet daar onmiddellijk op volgen: “We kunnen hier niets aan doen. Dit is opdracht van Den Haag.” Hetzelfde antwoord dat de marechaussee mij had gegeven.

Harry Hammelburg
Inlichtingendienst NEFIS

Opmerking: Hammelburg, wiens joodse familieleden tijdens de oorlog in Europa allemaal zijn omgekomen, was in maart 1942 op Java door de Japanners krijgsgevangen gemaakt heeft daarna ternauwernood het vege lijf weten te redden bij het werk aan de beruchte Birma-spoorweg.

Gerard

Wat Von Eppstein in zijn Bernhard-biografie had verzwegen.

Ter ere van de verloving van prinses Juliana en prins Bernhard in 1936 had professor dr. Georg Freiherr von Eppstein, de Duitse kabinetschef van het Vorstenhuis Lippe, in samenwerking met Hofrat Max Stärcke en in opdracht van de Utrechtse uitgeverij Bruna, voor de Nederlandse lezers een biografie over prins Bernhard geschreven.

Epp01

Aangezien op dringend verzoek van de familie  Zur Lippe-Biesterfeld een aantal feiten over de Prins waren weggelaten, werd Von Eppstein begin 1937 dan ook door de Duitse Reichskulturkammer uitgesloten en mocht nooit meer iets publiceren.
Dit feit stond op 24 februari 1937 ook in alle Nederlandse dagbladen vermeld, met als reden dat de Reichskulturkammer van mening was dat de professor ‘niet de betrouwbaarheid en geschiktheid bezat die nodig was voor de uitoefening van zijn werkzaamheid’. Blijkbaar vond men het niet nodig om in details te treden.

Epp02

Met een sneer naar de Nederlandse pers, meldde het dagblad De Tribune op 8 maart 1937 echter wel de details over de uitsluiting van Von Eppstein. Hij had in zijn biografie namelijk verzwegen dat Bernhard lid was geweest van de SA; dat hij tot Hitlers lijfwacht had behoord en dat  de Führer hem niet van zijn eed van trouw aan de Nazi-partij NSDAP had ontslagen.

Epp03

Zie ook: Omgetoverd van een jong invloedrijk lid van Hitlers lijfwacht in een Prins der Nederlanden.

Gerard

Prins Bernhard was in 1965 mogelijk betrokken bij de oprichting van het ‘Vrijwilligerslegioen Nederland’.

In de zomer van 1965  was kapitein-KNIL b.d. Henk Ulrici, “in opdracht van hoge militaire autoriteiten”, druk bezig met het oprichten van een Nederlands vrijwilligerskorps om in Vietnam zij aan zij met de Amerikanen tegen de communistische Viet Cong te vechten. Met een verwijzing naar het voormalige SS-Freiwilligen Legion ‘Niederlande’ werd dit korps al gauw het ‘Vrijwilligerslegioen Nederland’ genoemd.

01

Ulrici, die in de oorlog deel had uitgemaakt van Bernhards verzetslegertje, had tijdens de koloniale oorlog in Indonesië vooral naam gemaakt met het executeren van Indonesiërs, waaronder op 9 augustus 1949 zelfs een zwangere vrouw, genaamd Odah. In een interview met de Haagse Post heeft hij in augustus 1965 hierover gezegd: “Krijgsgevangenen maakte ik nooit. Ik joeg ze allemaal over de kling”.

Begin augustus 1965 had Ulrici al 95 aanmeldingen voor zijn huurlingenlegertje binnengekregen: “Mensen die liever vandaag dan morgen naar Vietnam willen gaan”, aldus Ulrici, “hieronder zijn officieren en onderofficieren van het KNIL, oud-mariniers, Engelsen en Duitsers met gevechtservaring” (men hoeft zich niet af te vragen wat voor figuren dit waren……GdB).
Ook vond Ulrici dat Noord-Vietnam platgegooid moest worden met atoombommen, waarbij hij liet doorschemeren dat dit eigenlijk ook voor China gold.

02

03

Over de oprichting van het vrijwilligerskorps heeft het Tweede Kamerlid Hans Bruggeman op 13 augustus 1965 nog een aantal vragen gesteld aan de minister van Defensie Piet de Jong. Ondanks dat de minister hiervan op de hoogte was, was het hem niet bekend wie de opdrachtgevers waren en met wie Ulrici hierover in gesprek was. “Bij de Regering bestaan geen plannen tot oprichting van een vrijwilligerskorps voor de oorlog in Vietnam”, aldus De Jong.

04

Ulrici’s commentaar op 20 augustus 1965: “Ik had wel verwacht dat de minister van Defensie alle plannen over een vrijwilligerskorps voor Vietnam zou ontkennen” (op 5 augustus had de Telegraaf nog op de voorpagina gemeld: ‘Den Haag denkt aan vrijwilligerskorps’, dat zes dagen later gevolgd werd door  een scherpe Russische reactie).

05

06

Nadat medio september 1965 was gebleken dat het aantal aanmeldingen toch nog wat tegenviel, heeft een teleurgestelde Ulrici tegen een journalist van het dagblad Trouw gezegd dat hij contact ging opnemen met prins Bernhard. “Als die adviseert ermee op te houden, zal ik dat onmiddellijk doen”, aldus Ulrici. Blijkbaar heeft Bernhard hem dit advies gegeven, want kort daarna was het hele plan voor een ‘Vrijwilligerslegioen Nederland’ van de baan. Twee maanden daarvoor had Ulrici nog tegen de Haagse Post gezegd: “Dacht je dat ik ga als de Prins niet voor 100% achter me staat?”

07

08

Gerard