Alle berichten door Gerard de Boer

Censuur in Nederland: kritische film kostte de Nederlandse cineast Joris Ivens zijn paspoort.

Nadat de Nederlandse cineast Joris Ivens in 1945 een film had gemaakt over de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd kreeg hij grote problemen met de Nederlandse regering, geleid door Willem Drees (PVDA). Niet alleen werd de vertoning van de film In Nederland verboden, maar werd Ivens ook nog eens tot persona non grata verklaard. Want toen Ivens in 1947 in het buitenland vertoefde en hij bij de Nederlandse ambassade zijn paspoort ging verlengen nam de man achter de balie het paspoort mee naar achteren om even later te melden: “Het spijt me verschrikkelijk, ik mag u uw paspoort niet teruggeven, we hebben orders uit Den Haag gekregen”. “Maar ik ben toch Nederlander. Ik heb recht op een paspoort”, protesteerde Ivens. “Meneer Ivens, volgens onze grondwet is een paspoort geen recht, maar een gunst die het ministerie van Buitenlandse Zaken u al dan niet bewijst”, kreeg Ivens ten antwoord (informatie van Joris Ivens, september 1985). Overigens hadden alle Nederlandse ambassades opdracht van Den Haag gekregen om zijn paspoort in te nemen.
Ivens kon dus niet meer terug naar zijn geboorteland. Pas in 1948 kreeg hij een voorlopig document dat hij iedere drie maanden moest laten verlengen. Dat pesterige spelletje van de regering-Drees heeft bijna 10 jaar geduurd. Dus tot eind 1957. Daarna kreeg Ivens pas zijn paspoort terug, maar de regering bleef hem op allerlei manieren dwarszitten, onder andere door hem in 1963 te verhinderen een film over de Deltawerken te maken. Pas in 1985 – 4 jaar voor Ivens’ dood in 1989 – heeft de Nederlandse Staat haar verontschuldigingen aangeboden.

Ivens1

Ivens2

Na de dood van Ivens op 28 juni 1989 schreef Job Velzen in het Vrije Volk: ‘Joris Ivens. Veel kabinetten hebben hem verguisd. Vergeef het hen, de hypocrieten van de PVDA. Van Drees tot en met Den Uyl. Joris Ivens: rust in vrede’.

Ivens3

Saillant detail is dat toen Ivans’ 18-jaar oude, verboden film tijdens de Nederlandse filmdagen in juli 1963 in het Duitse Münster werd vertoond dit nog tot een fel protest heeft geleid van de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns, maar daar heeft men zich in Münster niets van aangetrokken.

Ivens4

Gerard

De door de Duitsers ingenomen fietsen werden niet teruggeven door de Nederlandse overheid.

In juli 1942 begon de Duitse bezetter met het vorderen van fietsen. Ondanks de mededeling dat het maar om een gering aantal zou gaan, moesten in de praktijk alle herenfietsen ingeleverd worden. Nadat de gegevens waren genoteerd kreeg de eigenaar 50 gulden schadeloosstelling. Dat was ongeveer 10 gulden meer dan de prijs van een doorsnee vooroorlogse fiets.

Fiets1

Fiets2

Fiets3

Wie zijn fiets niet had ingeleverd, en later alsnog werd betrapt, was zijn fiets kwijt en kreeg ook geen 50 gulden schadeloosstelling.

Na de bevrijding werden de door de Duitsers achtergelaten fietsen ter beschikking gesteld van de Nederlandse overheid, waarbij de rechten van de vroegere eigenaars vervielen. Volgens de mededeling in de dagbladen zou het, net als in 1942, weer om een gedeelte van de fietsen gaan, maar in werkelijkheid zijn alle door de Duitsers achtergelaten fietsen naar de Nederlandse overheid gegaan. Men ging van het standpunt uit dat er indertijd al voor betaald was.

Fiets4

Gerard

Wat Von Eppstein in zijn Bernhard-biografie had verzwegen.

Ter ere van de verloving van prinses Juliana en prins Bernhard in 1936 had professor dr. Georg Freiherr von Eppstein, de Duitse kabinetschef van het Vorstenhuis Lippe, in samenwerking met Hofrat Max Stärcke en in opdracht van de Utrechtse uitgeverij Bruna, voor de Nederlandse lezers een biografie over prins Bernhard geschreven.

Epp01

Aangezien op dringend verzoek van de familie  Zur Lippe-Biesterfeld een aantal feiten over de Prins waren weggelaten, werd Von Eppstein begin 1937 dan ook door de Duitse Reichskulturkammer uitgesloten en mocht nooit meer iets publiceren.
Dit feit stond op 24 februari 1937 ook in alle Nederlandse dagbladen vermeld, met als reden dat de Reichskulturkammer van mening was dat de professor ‘niet de betrouwbaarheid en geschiktheid bezat die nodig was voor de uitoefening van zijn werkzaamheid’. Blijkbaar vond men het niet nodig om in details te treden.

Epp02

Met een sneer naar de Nederlandse pers, meldde het dagblad De Tribune op 8 maart 1937 echter wel de details over de uitsluiting van Von Eppstein. Hij had in zijn biografie namelijk verzwegen dat Bernhard lid was geweest van de SA; dat hij tot Hitlers lijfwacht had behoord en dat  de Führer hem niet van zijn eed van trouw aan de Nazi-partij NSDAP had ontslagen.

Epp03

Zie ook: Omgetoverd van een jong invloedrijk lid van Hitlers lijfwacht in een Prins der Nederlanden.

Gerard

Harer Majesteits gezant adviseerde om na de oorlog geen joden op hoge regeringsposities te benoemen.

Hieronder een schrijven d.d. 2 september 1943 van de minister van Buitenlandse Zaken mr. E. van Kleffens aan de minister van Justitie mr. J.R.M. van Angeren. Dit naar aanleiding van een gecodeerd geheim telegram dat Harer Majesteits gezant te Bern mr. J.J.B. Bosch ridder van Rosenthal naar de ballingenregering in Londen had verzonden.

JodenLonden

Bosch ridder van Rosenthal was twee maanden voor de oorlog overigens benoemd tot gezant in Zwitserland.

JodenBosch

Zie ook: Deportaties naar Westerbork moesten doorgaan van de Nederlandse ballingenregering.

Gerard

Paniek in politiek Den Haag na de moord op Blonde Dolly.

Een van de geruchtmakendste, geheimzinnigste en nooit opgeloste moorden in ons land is die op de knappe 32-jarige in Amsterdam geboren Sebilla Alida Johanna Niemans, alias ‘Blonde Dolly’, een welgestelde prostituee met klanten tot in de hoogste kringen, waaronder politici, topmensen uit het bedrijfsleven en hoge militairen. Mannen die in 1959 de macht hadden om de zaak stil te houden. In de doofpot te stoppen. En dat kan dan zowel op de moord zelf als op de relaties slaan.
Op maandag 2 november 1959 troffen politieagenten Blonde Dolly levenloos aan op haar bed in haar woninkje aan de Haagse Nieuwe Haven 498. Ze bleek gewurgd te zijn en lag gekleed onder de dekens. De moord zelf moet de zaterdag ervoor hebben plaatsgevonden.

01

Na de moord sidderde politiek Den Haag en veel prominenten voor haar blauwe boekje waarin alle namen en adressen van haar klanten zouden staan, maar menigeen was destijds al van mening dat de dader nooit gevonden zou worden. Het gezag beschermt immers de hoge heren. ‘Staatsbelang’, heet dat.
In journalistieke kringen wordt overigens al jaren de naam van de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns gefluisterd als een van Dolly’s vaste klanten. In ieder geval moet de dader een bekende van haar zijn geweest, want zij had hem die nacht na haar werk in haar woning binnengelaten terwijl de rolluiken al naar beneden waren en haar bewaker Gerard V. al naar huis was.

02

Het politiedossier met proces-verbalen bestaat overigens uit een drie lichtblauwe mappen met een ouderwets strikje er omheen en een blauw boekje met namen en adressen van haar klanten, maar daar word je niet veel wijzer van. Er zijn namelijk wat blaadjes uitgescheurd…………..

DollyBoekje
03

Opmerking: In 2011 beweerde Casper Postma in zijn boek dat de destijds 31-jarige bewaker Gerard V. uit de Haagse Falckstraat Blonde Dolly had vermoord. Maar daar is totaal geen hard bewijs van. Uit het politiedossier blijkt namelijk dat Gerard V. destijds wel 10 dagen heeft vastgezeten en geregeld urenlang door rechercheurs is verhoord (zelfs door de hoofdcommissaris Gualthérie van Weezel en officier van Justitie Kemper), maar. omdat hij ook een sluitend alibi had, bleek hij geheel onschuldig te zijn.

In ieder geval, mocht er iemand vandaag of morgen toch nog met keihard bewijs op de proppen komen dan moet men dat maar voor kennisgeving aannemen. De moord is namelijk al sinds november 1977 verjaard.
Tot slot kan nog worden gemeld dat Blonde Dolly de meer dan 250.000 toenmalige guldens heeft nagelaten aan het Koningin Wilhelmina Fonds en het ziekenhuis waar haar moeder destijds werd verpleegd.

DollyErfen

Gerard

Wilhelmina wilde na de oorlog een autoritair bewind onder leiding van het Oranjehuis.

De op 13 mei 1940 naar Londen gevluchte koningin Wilhelmina is een groot deel van haar jaren in ballingschap bezig geweest met het smeden van plannen om na de oorlog de parlementaire democratie op een zeer laag pitje te zetten. Vanwege haar onvrede over het parlementaire stelsel wilde ze na de bevrijding een geheel ander staatsbestel met een nieuwe grondwet in de richting van een autoritair bewind onder leiding van het Huis van Oranje. Hierbij kon ze uiteraard rekenen op veel sympathie van schoonzoon prins Bernhard, die ook al weinig van democratie moest hebben, en van de multinationals.
Al in september 1941 had ze aan Juliana in Canada geschreven: ‘In zeker opzicht is ons volk geheel onveranderd: ’t wil dat Oranje ’t voor het zeggen heeft; kamer en ministeries die waren nimmer populair, hebben afgedaan op dit ogenblik en ze willen door Oranje rechtstreeks geregeerd worden. Er mogen dan wel ministers zijn, en later ook wel een kamer, maar op ’t tweede plan’.
Hieruit blijkt maar weer dat Wilhelmina daar in Londen geheel buiten de realiteit leefde, want haar rede voor Radio Oranje op 2 september 1943 – dat ‘haar volk’ een kijkje gaf hetgeen zoal in Londen werd bekokstoofd – zorgde in het bezette Nederland  voor grote ongerustheid en felle kritiek. Met name dat zij na de oorlog een militair bewind wilde instellen.

01

Als degene die belast zou worden met de leiding van het militair gezag had Wilhelmina aanvankelijk prins Bernhard naar voren geschoven, maar aangezien dat op hevige weerstand van de ministerraad stuitte, werd uiteindelijk generaal Kruls door Wilhelmina aangesteld. Deze, op 13 mei 1940 eveneens gedeserteerde en naar Engeland gevluchte voormalige kapitein van het Nederlandse leger, moest de weg effenen voor het Oranjehuis opdat het later meer macht zou krijgen.
Door Wilhelmina en Kruls werden ook topmannen van multinationals met kantoren in Londen, zoals Philips, Unilever, AKU, Koninklijke Olie en de Nederlandsche Handelsmaatschappij, geselecteerd en in een officiersuniform gestoken.

In de verzetskranten werd direct scherpe kritiek geuit op het instellen van een militair bewind, zoals in De Oranjekrant, De Waarheid, Het Parool, etc. De Oranjekrant merkte op dat het Nederlandse volk geen nieuwe vorm van dictatuur wenste. En dat de enige herinnering die men nog van de Nederlandse officieren had bewaard, was van fuivende, champagnezwelgende lafaards.

02

En één dag voor de bevrijding meldde De Waarheid dat veel vaderlandslievende Nederlanders de grote lijnen begonnen te zien van een plan om het Duitse fascisme te vervangen door een nieuw soort Nederlands fascisme.

03

De krant vervolgde dat de Nederlandse bevolking hun vertrouwen had verloren in de plannen van de regering voor de bevrijding van Nederland.

04

Al op 4 oktober 1943 had deze verzetskrant geschreven: ‘De wederinvoering van de Staat van Beleg na de bevrijding vindt in Nederland weinig weerklank. Reeds eerder citeerden wij verschillende illegale bladen, die allen afwijzend stonden tegen de invoering van beperkende maatregelen in bevrijd Nederland. Ons volk vreest zeer terecht, dat onder de Staat van Beleg de poorten geopend worden voor een ongezonde militaire dictatuur die niet strookt met de doeleinden, waarvoor geheel ons volk de lijdensweg van een vertrapt volk doormaakt om uiteindelijk de overwinning over de machten der duisternis te behalen! Zouden wij een langdurig militair gezag moeten aanvaarden dan weten wij, dat wij weliswaar het nationaal-socialisme de voordeur hebben uitgetrapt, doch dat ditzelfde systeem in andere verschijningsvorm de achterdeur weer komt binnengeslopen. Wij willen volstaan het gehele Nederlandse volk en de gehele illegale beweging op te wekken waakzaam te zijn en te blijven tegen pogingen van zekere kringen, welke onze na de bevrijding herwonnen democratie in gevaar zouden kunnen brengen!’

Uiteindelijk is van Wilhelmina’s plan voor een autoritair bewind niets terechtgekomen. En ook haar militair gezag werd na veel tegenstand, en tot grote vreugde van de Nederlandse bevolking, op 4 maart 1946 alweer opgeheven.

Gerard

Er ligt nog voor ruim 3 miljoen euro aan goud op de bodem van de Nieuwe Waterweg.

Op de tweede oorlogsdag (11 mei 1940)  vertrok om 04:30 uur het Stoomloodsvaartuig 19 met een lading goud van het Rotterdamse bijkantoor van de Nederlandsche Bank uit de Rotterdamse Lekhaven. De kisten met staven goud waren kort daarvoor aan boord gebracht door de inmiddels in Rotterdam aanwezige Engelse genietroepen en opgestapeld in de stuurhut en achter de schoorsteen. De bedoeling was dat de goudstaven even buiten de Nieuwe Waterweg zouden worden overgeladen op het Britse oorlogsschip Black Swan om de lading naar Engeland te vervoeren, maar even voorbij Vlaardingen ging het mis. Het loodsvaartuig liep op een magnetische mijn en vloog in de lucht. Luitenant-ter-zee IJsbrand Smit, commander Hill van de Engelse genietroepen en 14 andere opvarenden verloren daarbij het leven. Het voorval bleek al vrij snel doorgegeven te zijn aan het Britse oorlogskabinet, want toen de ministers dezelfde morgen om 12:30 uur bijeenkwamen werd er al melding van gemaakt.

01

Na de oorlog kwam eind juni 1946 bij toeval een goudstaaf uit de pijpleiding van een zandzuiger te voorschijn. En in de maanden daarna viste de baggermolen ‘De Schelde’ nog meer staven op.

02

03

04

05

06

Nadat men in mei 1947 was gestopt met baggeren, bleken er nog maar 11 van de 111 goudstaven vermist te zijn.

07

Van die 11 staven zijn er later nog drie stuks achterhaald die gestolen bleken te zijn door een paar baggeraars.

08

Tot op de dag van vandaag liggen er dus nog steeds 8 goudstaven van elk 12.5 kilo – met een totale waarde van 3.294.360 euro – ergens tussen Vlaardingen en Maassluis op de bodem van de Nieuwe Waterweg.

09

Gerard