Alle berichten door Gerard de Boer

Het misverstand over “Gaat u maar rustig slapen”.

Het is nog steeds een hardnekkig misverstand als zou de toenmalige premier Colijn het bovenstaande aan de vooravond van de Duitse inval in Nederland in mei 1940 hebben gezegd. Niets is minder waar. Ten eerste was Colijn in 1940 geen minister-president meer (dat was toen De Geer) en ten tweede heeft Colijn dit op de avond van 11 maart 1936 voor de radio gezegd. Dus ruim 4 jaar voordat ons land werd bezet. De radiorede van Colijn ging toen over het feit dat vanwege de internationale toestand de dienstplichtigen van twee regimenten, namelijk de winterploeg infanterie en het regiment wielrijders, die op 14 maart 1936 zouden afzwaaien, tot nader order langer in dienst moesten blijven. Maar dat was volgens Colijn niet iets waar men zich al te veel zorgen om hoefde te maken, zodat men rustig kon gaan slapen. Overigens zwaaiden de twee regimenten een paar maanden later, op 16 mei en 16 juni 1936, alsnog af.

Slapen1

Colijn

Slapen2

Slapen3

Slapen4

Gerard

 

 

Over de AIVD, de moord op Theo en het bezoek van de koningin aan een Marokkaans buurthuis om de boel bij elkaar te houden.

In december 2003 verklaarde de toenmalige minister van Justitie Piet Hein Donner in de Tweede Kamer dat de AIVD geen terroristen mocht opsporen.

Gogh1

Gogh2

Nog geen jaar later werd op dinsdag 2 november 2004 in de Amsterdamse Linnaeusstraat Theo van Gogh door de 26-jarige jihadist Mohammed Bouyeri afgeslacht. Van Gogh werd door hem van korte afstand met acht kogels beschoten, waarna hij met een groot kapmes  zijn keel doorsneed. Vervolgens stak Bouyeri het mes tot aan de ruggengraat in Van Goghs borst.
Overigens had de AIVD al een heel dossier over de moordenaar aangelegd, maar daar was het bij gebleven.

Gogh3

In plaats van een bezoek te brengen aan de diepbedroefde ouders van Theo, ging koningin Beatrix 10 dagen later, op vrijdag 12 november 2004, thee drinken in het Marokkaanse jongerencentrum Argan aan de Amsterdamse Jan Tooropstraat om samen met de toenmalige burgemeester Cohen “de boel bij elkaar te houden”.

Filmpje:

Gogh4

Saillant detail is dat het betreffende jongerencentrum in oktober 2014 nog in opspraak is geraakt omdat de voorman van de extremistische moslimbeweging Hizb-ut-Tahrir was uitgenodigd voor een debat.
Nadat burgemeester Van der Laan in een brief d.d. 9 oktober 2014 had geschreven dat de gemeente Amsterdam haatzaaien niet wenste te faciliteren via de 300.000 euro subsidie die het jongerencentrum Argan ontving, werd het debat afgelast.

Gogh5

theo2016

Gerard

De laffe moord op Rudolf Frühstück.

In mei 1940 meldde Berlijn dat in Nederlands-Indië een Duits staatsburger, genaamd Frühstück, zonder enige reden en zonder waarschuwing was doodgeschoten.

FruhWP

Nu is het een feit dat Frühstück, inderdaad op een laffe manier was doodgeschoten, maar ook dat hij voor de Nazi’s uit Duitsland was gevlucht. Dat was ook de reden dat hij in Nederlands-Indië terecht was gekomen. Maar daarover werd door Berlijn met geen woord gerept. Dat kwam ze natuurlijk niet zo goed uit………… Hierbij wat achtergrondinformatie:

Na de Duitse inval in Nederland op 10 mei 1940 werden op bevel van de Gouverneur-Generaal Tjarda van Starkenborgh Stachouwer in het voormalig Nederlands-Indië alle Duitse staatsburgers opgepakt. Hieronder bevonden zich Duitse  missionarissen, zeelui die met hun schepen in de havens lagen, maar ook alle Duitse joden. De gearresteerden werden geïnterneerd in uitgewoonde, van ongedierte wemelende, snikhete barakken op het eiland Onrust voor de kust van Batavia. En hier werd op 15 mei 1940 Rudolf Frühstück doodgeschoten.
Rudolf was een jonge Duitse jood die Duitsland was ontvlucht en via Singapore in september 1939 was doorgereisd naar Nederlands-Indië, in de veronderstelling dat hij daar veilig verder zou kunnen leven. Helaas! Ook hij werd op 10 mei 1940 door Nederlandse militairen opgepakt en samen met andere Duitse joden op het eiland ondergebracht in een aparte barak. De zogeheten ‘Jodenbarak’. Maar een paar dagen na zijn internering werd hij door een Nederlandse bewaker zonder enige waarschuwing van achteren met een welgemikt schot in de hartstreek doodgeschoten.
Wat was het geval: Rudolf stond namelijk met opgeheven hoofd naar een paar Indonesiërs te kijken die boven in een boom bezig waren met het afzagen van wat takken. Daarbij stond hij met één hand op een van de pijlers van de prikkeldraadversperring. En met deze hand was hij dus boven het verboden gebied gekomen, d.w.z. binnen de twee meter van de omheining……

Gerard

De Grondwet mocht niet baten.

Joost van der Gijp, een dienstplichtig sergeant die zich tijdens de Duitse inval in Nederland in mei 1940 had onderscheiden, kreeg vanwege zijn gevechtservaring in september 1946 een herhalingsoproep om zich met de 7-December-divisie in te schepen voor uitzending naar Indonesië. Maar aan die oproep werd door hem echter geen gehoor gegeven. De reden: Joost wilde niet met een wapen in de hand zijn rijksgenoten bestrijden die voor hun vrijheid vochten. Ook vond hij dat de uitzending in strijd was met  Artikel 192 van de Grondwet, dat namelijk bepaalde dat Nederlandse dienstplichtigen slechts met hun eigen toestemming mochten worden uitgezonden naar overzeese gebiedsdelen. Op donderdagmorgen 24 oktober 1946 stond hij dan ook wegens desertie terecht voor de krijgsraad te velde in Den Haag. De auditeur-militair majoor mr. M. Lodder achtte het bewijs wettig en overtuigend geleverd dat beklaagde op 13 september 1946 “in tijd van oorlog” opzettelijk afwezig was gebleven. Hij vond dat er in deze zaak dan ook geen verzachtende omstandigheden aanwezig waren en eiste de volle gevangenisstraf van 7 jaar en 6 maanden.
Daarna was Van der Gijps raadsman, het CPN-Tweede Kamerlid mr.dr. Benno J. Stokvis, aan het woord. Deze stelde dat volgens de Nederlandse regering er geen sprake was van een oorlog tegen Indonesië, maar dat het een kwestie was van een interne gezagshandhaving: een politionele actie. Stokvis achtte het dan ook niet op zijn plaats om in de aanklacht te spreken van “in tijd van oorlog”. Voorts protesteerde hij tegen de maximum eis die was gesteld en drong erop aan dat Van der Gijp werd vrijgelaten. Vooral ook op grond van Artikel 192 van de Nederlandse Grondwet.
” Wanneer de regering de grondwet terzijde schuift, dan hebben wij onze rechtsstaat vaarwel gezegd en dan bevinden wij ons weer in de politiestaat, waarin wij ons al vijf jaar lang hebben bevonden”, aldus de raadsman.
Het mocht echter niet baten. Joost van der Gijp werd dezelfde dag dan wel niet tot 7 1/2 jaar veroordeeld, maar tot 3 jaar gevangenisstraf die hij volledig in een Scheveningse gevangenis heeft uitgezeten.

Zie ook mijn artikel: Nederlandse regering had lak aan de Grondwet.

Gerard

Grijp192a

Grijp192b

Waarom premier Rutte weigerde excuses te maken voor het veroorzaakte leed tijdens de koloniale oorlog.

Op vrijdag 14 augustus 2015 heeft premier Rutte verklaard dat hij de volgende dag bij de Indië-herdenking in Den Haag geen excuses zou gaan maken voor het leed dat Nederlandse militairen in de jaren 1946-1949 in Indonesië hebben veroorzaakt.

R1

Overigens is dat niet zo verwonderlijk, aangezien hij daarmee officieel zou erkennen dat de militairen indertijd – met instemming van de toenmalige Nederlandse regering! – orders van de legerleiding hebben uitgevoerd. Inclusief het standrecht, waarbij Indonesiërs zonder vorm van proces konden worden geëxecuteerd. Vandaar dat kapitein Westerling voor zijn massale standrechtelijke executies op Zuid-Celebes ook altijd de hand boven het hoofd is gehouden.
Zie ook mijn artikel: Nederlandse regering betaalde kapitein Westerling ‘zang-zwijggeld’.

Met name de voormalige verzetskrant De Waarheid, die fel tegen de koloniale oorlog gekant was, stelde de PVDA-ministers, waaronder premier Willem Drees, verantwoordelijk voor de door de Nederlandse militairen begane excessen: “Wanneer een dorp in Indonesië platgebrand wordt, of ergens een bloedbad wordt aangericht dan zijn de PVDA-ministers daarvoor verantwoordelijk”, aldus De Waarheid op 26 oktober 1948.
Zie ook mijn artikel: “Erger dan Hitler in 1940.”

R2

R3

Feit is dat Nederlandse soldaten die destijds in Indië weigerden excessen te begaan, zoals het standrechtelijk executeren van Indonesische guerrillastrijders, het in brand steken van kampongs, etc., – met instemming van minister-president Willem Drees (PVDA) – konden rekenen op een jarenlange gevangenisstraf, zoals de  Nederlandse mariniers Smit, De Hoog en Stokking die geweigerd hadden de kampong Soetodjajan, bij Pakisadji, in brand te steken.

R4

R5

R6

R7

R8

Tot slot nog wat over de Amnestie Ordonnantie.

Aangezien tijdens de koloniale oorlog aan beide zijden ernstige misdaden zijn gepleegd, is er in augustus 1949 tussen Nederland en Indonesië afgesproken dat “zij die worden vervolgd of die reeds zijn veroordeeld voor misdaden, die duidelijk een uitvloeisel zijn van het politieke conflict tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek van verdere strafvervolging zullen worden ontslagen of ontheven van hun straf, overeenkomstig zo spoedig mogelijk uit te vaardigen wettelijke of andere regelingen” (proclamatie, paragraaf 3 d.d. 3 augustus 1949).
De strekking van deze bepaling was derhalve dat ieder van beide regeringen zou afzien van verdere vervolging en bestraffing van hen die aan de zijde van de andere partij aan het ‘conflict’ tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië hadden deelgenomen en daarbij delicten hadden gepleegd, die als een duidelijk uitvloeisel van dat ‘conflict’ konden gelden.
Een en ander is in november 1949 vastgelegd in de Amnestie Ordonnantie (Indisch Staatsblad, 1949 nr.326) en ondertekend door zowel Nederland als Indonesië, waaronder de Indonesische president Soekarno.
Hieronder Artikel I en II van de Amnestie Ordonnantie, plus de volledige ordonnantie (klikken om te vergroten).

R9

R9a

R9b

Gerard

Van Nazi-handlanger tot Nederlands lid van de Navo-commissie.

Samen met Karel Frederiks en Jaap Schrieke was Hans Hirschfeld tijdens de bezetting één van de drie Nederlandse secretarissen-generaal van de door Hitler aangestelde Seyss-Inquart, de Reichskommissar für die besetzten niederländischen Gebiete. Dat de volgzame Hirschfeld een joodse vader had, was voor de notoire antisemiet Seyss-Inquart blijkbaar geen probleem.
Op 28 oktober 1941 was Hirschfeld medeondertekenaar van de onderstaande proclamatie met een ernstige waarschuwing richting het Nederlandse verzet. Dreigend lieten hij en de andere twee secretarissen-generaal, Frederiks en Schrieke, weten dat aanslagen op goederen van de Duitse Wehrmacht, de voedselvoorziening en het verborgen houden van neergeschoten geallieerde vliegers streng zouden worden bestraft. Onder de aanlagen op de voedselvoorziening werd overigens ook bedoeld de overvallen door het verzet op distributiekantoren om voedselbonnen te verkrijgen voor de vele onderduikers. Wat het verborgen houden van neergeschoten vliegers betreft, liet men waarschuwend weten dat dit reeds de terechtstelling van de schuldigen tot gevolg heeft gehad.
En onderaan de proclamatie werd door de directeur-generaal van politie aan iedere Nederlander een beloning van 1000 gulden uitgeloofd voor het geven van inlichtingen welke zouden kunnen leiden tot de arrestatie van ‘schadelijke elementen’ (de verzetsstrijders).

(Klikken om te vergroten.)

01

De proclamatie leidde uiteraard tot felle reacties in de illegale pers. Zo noemde de verzetskrant ‘Slaet op den trommele’ in november 1941 de secretarissen-generaal Hirschfeld, Frederiks en Schrieke eerloze landverraders die hun best deden zo veel mogelijke de Duitsers ter wille te zijn, ‘ondanks de wetsverkrachtingen, ondanks de afgrijselijke jodenmoordpartij, ondanks de gevangenneming en internering van vele onschuldigen’, etc.

02

Ondank dat Hirschfeld als gewillig werktuig van de Duitse bezetter ervoor gezorgd had dat het Nazi-regime Nederland kon inschakelen voor de oorlogseconomie, en leeg kon zuigen, werd deze lakei van Seyss-Inquart na de oorlog niet gestraft omdat hij geen lid van de NSB was geweest…….Op 14 december 1949 werd hij zelfs door de regering-Drees benoemd tot Hoge Commissaris in Indonesië.

03

Zoals te verwachten was, leidde dit tot felle protesten in de voormalige verzetskranten. Zo werd Hirschfeld na zijn benoeming in twee cartoons in De Waarheid afgebeeld als hakenkruis en dollarteken.

04

Maar van al die protesten trok minister-president Drees (PVDA) zich niets aan, want op 1 oktober 1951 werd Hirschfeld benoemd tot lid van de Navo-commissie.

05

De voormalige verzetskrant De Waarheid kon het echter niet nalaten om haar lezers nog even Hirschfelds oorlogsverleden in herinnering te brengen.

06

Wat de twee andere secretarissen-generaal betreft kan nog vermeld worden dat Schrieke, die wel lid van de NSB was geweest, na de oorlog ter dood werd veroordeeld (later omgezet in 20 jaar gevangenisstraf) en dat Frederiks (geen NSB’er) op 11 januari 1946 eervol ontslag kreeg. Met behoud van wachtgeld!

07

08

Ja, zo ging dat nu eenmaal in het naoorlogse Nederland, waar invloedrijke lieden die zwaar met de Duitse bezetter hadden gecollaboreerd, maar geen lid waren geweest van de NSB, weer de beste baantjes toegeschoven kregen, zoals een andere naaste medewerker van Reichskommissar Seyss-Inquart die werkloze mannen naar Duitsland stuurde om in de oorlogsindustrie te gaan werken en in 1959 zelfs minister-president werd.

Zie mijn artikel: Van collaborateur tot minister-president.

Gerard

De verboden Hannie Schaft-herdenking. Regering-Drees zette het leger in tegen ex-verzetsstrijders.

Hannie

Ieder jaar in november vindt er de Hannie Schaft-herdenking plaats, maar in 1951 was het door de regering-Drees nog streng verboden om deze communistische verzetsstrijdster te herdenken.

01

Desondanks kwamen er op 25 november 1951 ruim 5000 mensen naar de herdenking, waarvan het  overgroot merendeel uit voormalige verzetsstrijders bestond. Toen de stoet op weg was naar Hannie’s graf op de erebegraafplaats in Bloemendaal werden ze echter tegengehouden door pantserwagens en met stenguns gewapende marechaussees.

02

03

04

Een van de bedreigde deelneemsters aan de herdenking in 1951 was de voormalige verzetsvrouw Truus Menger:

“Ik was heel erg opgewonden die dag. Overal om ons heen liepen agenten, maar toen ik achterom keek zag ik dat de rij steeds dikker werd. Op de Zeeweg in Bloemendaal werden we opgewacht door een macht aan politie, gewapende marechaussee en soldaten met stenguns. Maar het ergste vond ik dat er vier pantserwagens stonden. Als je ziet hoe die geschutskoepel langzaam naar je toedraait, en er een machinepistool op je wordt gericht, dan voel je toch wel een hele nare dreigende, stemming, hoor. De tranen liepen mij over de wangen en ik ben naar een van die pantserwagens gehold waar een blonde jongen met een heel bleek smoeltje op zat. Ik schreeuwde hem toe: ‘Had je echt op mij willen schieten? Ik had mijn leven voor je willen geven! Voor jullie, voor de jeugd! Hannie heeft haar leven voor jullie gegeven. Die jongen draaide zijn hoofd om van schaamte. Het was het gezicht van een jongen die niet wilde schieten, maar als hij opdracht had gekregen wel had geschoten. Ik heb in de oorlog vreselijke dingen gezien maar dit heeft mij persoonlijk het meest geraakt. Het gevoel dat je niemand meer bent. Er werd getwijfeld aan onze integriteit, het enige wapen in onze strijd tegen het nazisme. Ik was erg in de war die dag en de dagen daarna. Ik bleef maar huilen.”

05

Enkele dienstplichtige soldaten, die ook in de stoet meeliepen, werden ter plekke door de Militaire Politie gearresteerd en gevangen gezet.

06

Bloemen en kransen die ’s middags op de Haarlemse Grote Markt waren gelegd, werden later die dag door de politie afgevoerd naar de vuilnisbelt.

07

Een paar dagen later stuurde het Verenigd Verzet 1940-1945 een fel telegram naar de regering-Drees, waarin zij protesteerde “tegen de schandelijke gebeurtenissen voor en tijdens de herdenking en tegen het vertrappen en op de mesthoop gooien van de bloemen bestemd voor één der beste strijdsters voor Vrijheid en onafhankelijkheid van ons land”.

08

Het telegram werd echter voor kennisneming aangenomen.

09

Zeven voormalige verzetsstrijders stonden in januari 1952 terecht wegens het overtreden van Artikel 461. Ze waren namelijk op 25 november 1951 – de avond van de herdenking – door de politie gearresteerd toen ze over het hek van de begraafplaats waren geklommen en alsnog bloemen op Hannie’s graf hadden gelegd.

10

Gerard

“Hallo” was een belediging.

Tijdens de Duitse bezetting moest men goed uitkijken tegen wie men “hallo” zei. Want als hij of zij toevallig lid was van de NSB dan kon men wel eens goed in de problemen komen, aangezien het door hen opgevat werd als een grove belediging (Hang Alle Laffe Landverraders Op). Dit feit stond in 1942 zelfs in een paar Amerikaanse dagbladen vermeld.

Hallo1

Hallo2

Hallo3

Gerard

Op verzoek van prins Bernhard hebben honderden ex-Waffen-SS’ers in Indië gevochten.

Terwijl prins Bernhard, als bevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten, in september 1944 nog had opgemerkt dat gevangengenomen Nederlandse Waffen-SS’ers beter geëxecuteerd konden worden, kwam hij in 1946 bij minister van Oorlog Jo Meynen met het plan om deze lieden dienst te laten nemen bij de Koninklijke Landmacht om ze voor het herstel van het koloniale gezag naar  Nederlands-Indië te sturen.
Aangezien de Waffen-SS’ers nog steeds opgesloten zaten vanwege wandaden tijdens de oorlog zag minister Meynen aanvankelijk helemaal niets in het plan van de Prins, maar omdat Nederland steeds meer behoefte kreeg aan goed getrainde en ervaren frontsoldaten, die het op dat moment niet ter beschikking had, werd het toch maar in overweging genomen, mits ze geen lid waren geweest van de NSB. Dat blijkt uit regeringsdocumenten uit die tijd. In een memorandum aan minister-president Schermerhorn (PVDA) werd het totaal van de door de Duitsers geoefende Nederlandse soldaten geschat op rond de 30.000 man (Waffen-SS, NSKK en Kriegsmarine) en uit een rapport van het directoraat-generaal voor Bijzondere Rechtspleging uit 1946 bleek dat er van werd uitgegaan dat wie tot de elitetroepen van de Waffen-SS hadden behoord, als bijzonder ervaren en goede militairen werden beschouwd om bij te dragen aan de strijd tegen de ‘Indonesische extremisten’. Na een training van enkele weken in het hanteren van geallieerde wapens konden ze onmiddellijk tot actie overgaan, aldus het rapport.
Een paar maanden later maakten al tientallen Waffen-SS’ers, die een paar jaar daarvoor nog hun leven op het spel hadden gezet voor het in stand houden van Hitlers Derde Rijk, op Java al deel uit van een compagnie Grenadiers en Jagers dat onder bevel stond van luitenant-kolonel Taets van Amerongen.

SSindie1

Een oud-SS’er, die tot 1949 op Java diende, heeft later opgemerkt: “De werkplaats van de Militaire Transportdienst was exact een kopie van de werkplaats zoals ik die had meegemaakt in Jõhvi aan het Oostfront, hier ingericht door lui die het bij de Waffen-SS hadden geleerd”.
Ook had hij in zijn tijd in Indië een aantal van zijn voormalige Oostfrontkameraden teruggezien.

Hieronder de verklaring van de sergeant-KNIL Harry Hammelburg van de inlichtingendienst over de Waffen-SS’ers op West-Java.

Het moet rond de Eerste Politionele Actie geweest zijn, dus juli/augustus 1947. Ik was als inlichtingenman van het KNIL gedetacheerd bij de Grenadiers en Jagers in Tjibadak. Het was een onderdeel van de 7-December  Divisie. Op een ochtend zag ik een groep militairen gymnastiekoefeningen doen. Er viel mij iets gek op: onder hun oksel hadden ze allemaal een lelijk litteken. Ik vroeg aan één van die mannen wat dat was. Hij vertelde mij dat op die plek ooit een bloedgroep was getatoeëerd. Op mijn vraag waarom hij en zijn maats zo’n belangrijk gegeven hadden laten wegsnijden ging hij niet in. Een onderofficier die bij die groep hoorde gaf bij navraag een duidelijker antwoord: “Weet je dat niet?” zei hij verbaasd. “Dat zijn voormalige leden van de Waffen-SS. Daar was het verplicht je bloedgroep onder je oksel te laten tatoeëren. Ze zijn bij ons ingedeeld, maar er zitten er nog meer bij andere onderdelen. Ze doen hier dienst in plaats van hun straf uit te zitten”, zei de man zonder enige terughoudendheid. Bij de hoogste baas van de eenheid waar ik de ex-SS’ers had ontdekt, overste Taets van Amerongen, wekte ik grote woede op toen ik om opheldering vroeg: “Daar heb je niets mee te maken. Weg wezen!”, zei hij. Maar ik liet het er niet bij zitten en gelastte de marechaussee een onderzoek in te stellen en kreeg een bevestiging dat het hier inderdaad om voormalige leden van de Waffen-SS ging. Enkele weken later moest ik op de Generale Staf zijn in Batavia. Daar ontmoette ik kolonel Thomson, de rechterhand van generaal Spoor. Ook hij bevestigde het verhaal, maar liet daar onmiddellijk op volgen: “We kunnen hier niets aan doen. Dit is opdracht van Den Haag.” Hetzelfde antwoord dat de marechaussee mij had gegeven.

Harry Hammelburg
Inlichtingendienst NEFIS

Opmerking: Hammelburg, wiens joodse familieleden tijdens de oorlog in Europa allemaal zijn omgekomen, was in maart 1942 op Java door de Japanners krijgsgevangen gemaakt heeft daarna ternauwernood het vege lijf weten te redden bij het werk aan de beruchte Birma-spoorweg.

Gerard

Censuur in Nederland: kritische film kostte de Nederlandse cineast Joris Ivens zijn paspoort.

Nadat de Nederlandse cineast Joris Ivens in 1945 een film had gemaakt over de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd kreeg hij grote problemen met de Nederlandse regering, geleid door Willem Drees (PVDA). Niet alleen werd de vertoning van de film In Nederland verboden, maar werd Ivens ook nog eens tot persona non grata verklaard. Want toen Ivens in 1947 in het buitenland vertoefde en hij bij de Nederlandse ambassade zijn paspoort ging verlengen nam de man achter de balie het paspoort mee naar achteren om even later te melden: “Het spijt me verschrikkelijk, ik mag u uw paspoort niet teruggeven, we hebben orders uit Den Haag gekregen”. “Maar ik ben toch Nederlander. Ik heb recht op een paspoort”, protesteerde Ivens. “Meneer Ivens, volgens onze grondwet is een paspoort geen recht, maar een gunst die het ministerie van Buitenlandse Zaken u al dan niet bewijst”, kreeg Ivens ten antwoord (informatie van Joris Ivens, september 1985). Overigens hadden alle Nederlandse ambassades opdracht van Den Haag gekregen om zijn paspoort in te nemen.
Ivens kon dus niet meer terug naar zijn geboorteland. Pas in 1948 kreeg hij een voorlopig document dat hij iedere drie maanden moest laten verlengen. Dat pesterige spelletje van de regering-Drees heeft bijna 10 jaar geduurd. Dus tot eind 1957. Daarna kreeg Ivens pas zijn paspoort terug, maar de regering bleef hem op allerlei manieren dwarszitten, onder andere door hem in 1963 te verhinderen een film over de Deltawerken te maken. Pas in 1985 – 4 jaar voor Ivens’ dood in 1989 – heeft de Nederlandse Staat haar verontschuldigingen aangeboden.

Ivens1

Ivens2

Na de dood van Ivens op 28 juni 1989 schreef Job Velzen in het Vrije Volk: ‘Joris Ivens. Veel kabinetten hebben hem verguisd. Vergeef het hen, de hypocrieten van de PVDA. Van Drees tot en met Den Uyl. Joris Ivens: rust in vrede’.

Ivens3

Saillant detail is dat toen Ivans’ 18-jaar oude, verboden film tijdens de Nederlandse filmdagen in juli 1963 in het Duitse Münster werd vertoond dit nog tot een fel protest heeft geleid van de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns, maar daar heeft men zich in Münster niets van aangetrokken.

Ivens4

Gerard